VRIJHEID VAN MENINGSUITING

 

    


| 13-06-2021 |

 

De vrijheid van meningsuiting is vandaag de dag een veel besproken thema wat mijns inziens een toenemend aantal excessen kent. Het lijkt in de ogen van velen een onbeperkt recht te zijn geworden. Dat is het niet en zo is het in onze rechtsgeschiedenis ook nooit geweest.

Toen het recht in de Grondwet (Staatsregeling van 1798) werd geformuleerd, kende het meteen al een aantal beperkingen. In een diverse samenleving met vele (religieuze) minderheden en grote politieke en maatschappelijke tegenstellingen waren de beperkingen dan ook een gebod om de maatschappelijke vrede in stand te houden c.q. te realiseren. Er werden grenzen gesteld maar toch was de Grondwet uit 1798 een fundamentele verandering waarmee rechten van de soeverein (het staatshoofd en staatsmacht) waren verlegd naar het individu, en deze lagen voortaan vast in de wet.

Het politieke tijdschrift de Burger Politieke Blixem schreef over de implicaties van de verandering en de beperkingen van het recht in haar eerste nummer op 15 april 1800 een uitgebreide verhandeling. Lees de tekst op onderstaande foto’s eens en besef dat er in dezen geen absoluut recht kan zijn in een wereld en samenleving, zo complex als de onze.

 

Louis van der Kallen.


ONMONDIG

 

    


| 16-05-2021 |

 

Ondanks dat de woorden ‘vrijheid van meningsuiting’ bij velen voor in de mond liggen, zijn we zelden zo onmondig geweest. Het begrip ‘de vrije mening’ werd omstreeks het einde van de achttiende eeuw door de Duitse filosoof Immanuel Kant inhoud gegeven door zijn beantwoording in de Berlinische Monatsschrift van de vraag: “Wat is Verlichting?”. In de woorden van Kant: “Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.” Naar Kants inzichten hebben we onze ‘onmondigheid’ aan onszelf te wijten. De gemiddelde burger die ik de afgelopen weken over zijn of haar ‘onmondigheid’ aansprak, was vol van verontwaardiging over mijn ‘verwijt’. Toch erkent diezelfde burger dat hij als hij een website bezoekt vaak achteloos en in ongeduld op “alles accepteren” of “alles gelezen” drukt. Net zo goed als dat hij of zij weer bestelt bij een bedrijf waar het telefoonnummer van de ‘klantenservice’ onvindbaar is, en als hij of zij doodloopt op een slecht betaalde callcentermedewerker – die er ook niets aan kan doen – dat gewoon accepteert.

We zijn terecht gekomen in een wereld van de zogenaamde gespreide verantwoordelijkheid. We noemen het de participatiesamenleving. We mogen meepraten. Maar anderen nemen de beslissing. Het lijkt of er een hiërarchie bestaat, maar dan zonder dat er verantwoordelijkheid wordt genomen. Afschuiven is de norm en de gemiddelde – zichzelf mondig vindende – burger accepteert dat.

In het RTL-verkiezingsdebat had Rutte zichzelf de vraag gesteld: “Kan ik doorgaan?”, dit als reactie op een opmerking van een van de gedupeerden van het toeslagenschandaal. “Het laatste wat ik hier vanavond zal doen, is aan u vragen om de politiek, of mij als eindbaas van die politiek weer te vertrouwen.” Maar een eindbaas die vindt dat hij geen vertrouwen meer nodig heeft, is geen gezagsdrager meer, maar een machthebber. Een Poetin! Waar is dan de mondigheid? Het gezag is verdwenen in de slijmerige modderpoel van de gedeelde verantwoordelijkheden.

Nadat de Minister-President een motie van wantrouwen had overleefd en een motie van afkeuring tot toiletpapier had verklaard (naast zich had neergelegd) zei hij: “Vertrouwen is een werkwoord”. Maar ‘het vertrouwen’ is een zelfstandig naamwoord. En dat is in hem opgezegd. We hebben een ‘sterke leider’. In mijn artikel “Rode lijn” plaatste ik Rutte al in het ‘illustere’ rijtje: Recep Tayyip Erdoğan, Viktor Orbán en Vladimir Vladimirovitsj Poetin van ‘sterke’ leiders. Hij wordt gevolgd door de trouwe VVD-kiezers en getrouwe VVD’ers, en schijnbaar door de fracties van D66, GL, PvdA en delen van de CDA-fractie. Ook voor de laatstgenoemde fracties lijkt het regeringspluche wel heel aantrekkelijk – en vaak ook het wachtgeld en daarna de mooie ‘functies elders’ – . Hun achterbannen morren wel.

Wanneer vindt de burger die zich zelve mondig acht de ware uitleg van de Verlichting? Zijn of haar mondigheid kan de beslissers vaak niet bereiken. Veel ‘volksvertegenwoordigers’ hebben vaak slechts een openbaar emailadres (via de griffie). Net als veel van uw leveranciers houden ze er niet van gebeld te worden. Wanneer leidt uw gebrek aan vertrouwen tot de conclusie dat u niets meer accepteert?

 

Louis van der Kallen.


NAAR HET EUROPESE HOF

 


 

NAAR HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS

 

Op 18 augustus zou de termijn, waarbinnen ik een klacht kon indienen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, verlopen. Na het Arrest van de Hoge Raad van 18 februari had ik zes maanden de tijd te besluiten of ik een klacht zou indienen en hoe ik deze zou formuleren. In dat gedachtenproces besloot ik eerst om mijn grieven tegen het functioneren van de gemeentelijke politiek, het rechtssysteem en de wetgeving inzake geheimhouding en de gemeentelijke praktijk in deze in een brief aan de Kroon te formuleren. Een brief aan de Kroon dient behandeld te worden door de Minister die het aangaat en mijn geval de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ronald Plasterk.
Ik stap naar het Europese Hof het Hof om te laten toetsen in hoeverre de vrijheid van meningsuiting van politici beperkt mag worden door het opleggen van een geheimhoudingsplicht en voor hoelang deze dan zou mogen gelden.
De gemeentelijke praktijk is dat stukken/dossiers geheim worden verklaard en dat die geheimhouding zelden of nooit wordt opgeheven. Dit beperkt de mogelijkheden van onderzoek naar gemeentelijk handelen door raadsleden en anderen enorm en maakt het feitelijk mogelijk dat politiek/bestuurlijk disfunctioneren langdurig ongestraft onder het tapijt kan worden geveegd. Met als gevolg: politici/bestuurders kunnen langdurig hun gang gaan zonder daarvoor ter verantwoording te worden geroepen. 
Als voorbeeld de gang van zaken rond het debacle de Bergse Haven en de Markiezaten. Tientallen miljoenen verlies en de verantwoordelijken ontlopen het afleggen van publiekelijke verantwoording. Sterker nog zij krijgen nieuwe functies en krijgen bij hun afscheid vaak alle lof en een ere burgerschap mee. En de burger en raadsleden en hun opvolgers blijven met de (financiële) brokken achter. De werkelijke omvang blijkt dan pas veel later en dan wordt er door het niet verrichten van gedegen onderzoek niet geleerd van de gemaakte fouten. 
Ik heb bijna de volledige termijn van zes maanden voorbij laten gaan omdat ik hoopte op een antwoord van de minister, die mij duidelijk zou maken dat toekomstige generaties raadsleden, als ze dat zouden willen, wel de vrijheid zouden krijgen om na afloop van een project effectief onderzoek te kunnen doen en ook de inhoud van stukken, die gedurende een project om goede redenen geheim zouden moeten blijven, na afloop kunnen bestuderen en openbaar kunnen worden gemaakt. Op 13 augustus werden de stukken naar het Europese Hof verzonden. Ik had tot dat moment tevergeefs op antwoord van de minister gewacht. Er was wel een aantal malen contact geweest met de behandelend ambtenaar en op zijn verzoek heb ik aanvullende stukken verzonden. Precies op de dag (15 augustus) dat in BNDe Stem een artikel verscheen inzake mijn gang naar Europa verzond het Ministerie haar antwoord op mijn brief van 14 maart. Het antwoord van minister Plasterk bevat wel een aantal elementen die mij verheugen. Zoals: “Wel zie ik aanleiding bij gelegenheid van een volgende wijziging van de gemeentewet nader te bezien of er reden is voor enigerlei aanpassing van de regels met betrekking tot geheimhouding in de Gemeentewet; de VNG vraagt hier al enige tijd aandacht voor.” Het is geen harde toezegging, maar uit het citaat blijkt wel dat naar dit punt van mijn grieven serieus gekeken is/wordt.

Ook ten aanzien van een tweede punt waarvoor ik aandacht van de Kroon vroeg, de schuldontwikkeling bij gemeenten, is het antwoord van de minister hoopvol: “Ook ik onderken het belang van een beheersbare schuldontwikkeling bij gemeenten. Op dit moment zijn er voorstellen in ontwikkeling die erop zijn gericht dat dit aspect in de toekomst een meer prominente plek kan krijgen in het horizontale en verticale financieel toezicht.”
Ik voel me door de antwoorden van de minister grotendeels recht gedaan. Nu maar hopen dat het niet bij mooie woorden blijft maar dat het tot de noodzakelijke daden komt.