DE MODERNE WERELD

 

| 08-09-2019 | 08:15 uur |


 

| MAAKT HET ONS GELUKKIGER? |

 

 

Als je 71 bent en je kijk terug in de tijd dan ervaar je grote verschillen in hoe mensen met elkaar omgaan tussen nu en vroeger. Voor mijn gevoel is er onvoorstelbaar veel veranderd in de laatste pakweg zestig jaar. Praten en het schrijven van brieven waren zestig jaar geleden dé communicatie middelen tussen personen. Zestig jaar geleden werd langzaam maar zeker de telefoon en de televisie gemeengoed. Het ‘kastje’ veroverde in een razend tempo onze vrije tijd en snoepte al één op één veel ‘praattijd’ tussen huisgenoten af. Het feit dat in de zelfde periode de telefoon gemeengoed werd compenseerde het verlies aan ‘praattijd’ tussen huisgenoten een beetje want er kwam wat ‘praattijd’ met familie en vrienden op afstand voor terug.

Vanaf de jaren negentig is er enorm veel ‘praattijd’ verloren gegaan. De computer deed zijn intrede, als een nieuw aantrekkelijk ‘kastje’ alleen dit was een privé kastje. Het mobieltje en de smartphone kwamen met tal van schrijfmogelijkheden. Praten werd grotendeels overbodig. Iedereen kreeg de mogelijkheid om zijn of haar vrijheid van meningsuiting tot op het bot uit te oefenen.

Hebben al de veranderingen ons bevrijd en ons de verandering en geluk gebracht waarnaar we verlangden? Ik denk het niet. De vermindering in ‘praattijd’ heeft in mijn waarneming ook veel leegte, eenzaamheid, doelloosheid en tal van vormen van narcistisch gedrag op geleverd. Gecombineerd met het propageren en wettelijk vorm geven van steeds verder doorgevoerde individualisering en digitalisering van contacten, waarbij de overheid vaak leidend was. Nu is de ‘moderne’ wereld, in mijn beleving, een weinig warme of misschien zelfs een asociale samenleving. Het ik en het nu lijken bepalend te zijn. We zijn terecht gekomen in een wereld die steeds minder een samenleving is en steeds meer een instabiel geheel lijkt. Een geheel van vaak wispelturige coalities die snel weer uit elkaar kunnen vallen. Binden lijkt steeds moeilijker te worden. De ‘sociale media’ blijken verre van sociaal. Het is idealiseren of kleineren zo lijk het adagium.

Materialisme is in de afgelopen zestig jaar de norm geworden net als steeds meer uren werken voor al dat ‘moois’. 10 tot 15 % van de werkenden ervaart overspanningsklachten. Zondagse bezoekjes aan (groot)ouders werden telefoontjes en whatsappjes. Zijn wij en onze (groot)ouders hier gelukkiger van geworden. Geven we daarmee onze kinderen het goede voorbeeld en hoe gaan ze straks met ons om? Zal het familiekerstdiner al deze veranderingen overleven of gaan we dat met thuisbezorgd ook digitaliseren en voor het beeldscherm verorberen?

Welke welvaart heeft de moderne techniek ons gebracht? Welzijn in mijn ogen niet of nauwelijks. Verbondenheid? Ik denk het niet. Ik voel verbondenheid als ik met iemand in alle rust op mijn achterplaatsje een gesprek heb over de zaken die ons verbinden. Dankbaarheid? Voor wat? Vertrouwen in mensen waarmee de verbinding is verengd tot het zien aan de kerstdis. Praten, elkaar zien, elkaar de hand schudden of omarmen, is in mijn ogen contact maken en verbinden en vertrouwen opbouwen en onderhouden.
Ik heb in mijn leven heel wat overheidsgebouwen betreden. Gemeentehuizen, provinciehuizen, waterschapkantoren alle waren in de jaren tachtig/negentig vrij toegankelijk. Nu zijn zij verdwenen achter muren van glas, poortjes, bewakers en vooral pasjes! Angst en controledwang beheersen de overheden. Vroeger kon je de behandelend (belasting)ambtenaar gewoon bellen. Ambtenaren zijn verdwenen achter callcenters en computerprogramma’s.

De honger naar ‘groei’ en steeds meer en luxer verteerd ons. Ons vooruitgangsideaal is verengt tot economische groeicijfers. Een nachtmerrie scenario! Het wordt tijd dat we wakker worden. Het wordt tijd voor een meer Ludditische kijk op onze wereld en leven. Onthaasten mag. Waarbij er tijd ontstaat om weer echt te praten met onze naasten en onze medebewoners van deze wereld. Onthaasten om weer echte welvaart te ervaren en weer een sociaal wezen te worden.

Louis van der Kallen

 

 


EIGEN BEHEER: VOORLOPIG PARTIJPROGRAMMA VAN HOLLANDSE DEMOCRATISCHE LUDDIETEN

 


 

HET LUDDISME
Het voorlopige partijprogramma uit 1985 van de Hollandse Democratische Luddieten 

Het luddisme is een politieke stroming, die zich verzet tegen de invoering van allerlei arbeidsbesparende technieken, zonder dat er met de maatschappelijke gevolgen van deze arbeidsbesparende technieken rekening wordt gehouden. 

1.    WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEKENDE MAATSCHAPPIJ

In ons maatschappelijk bestel wordt met de maatschappelijke gevolgen van uitvindingen en onderzoeken niet of nauwelijks rekening gehouden, noch dat vooraf de maatschappelijke wenselijkheid daarvan wordt bekeken. De maatschappij trekt jaarlijks aanzienlijke bedragen uit voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Dit onderzoek vindt plaats in instellingen die zich vrijwel volledig aan de maatschappelijke controle onttrekken. Dit gegeven is niet nieuw. Het is al duizenden jaren zo dat wetenschappers zich zelf onttrekken aan iedere vorm van maatschappelijke controle. De zelfstandigheid en onafhankelijkheid van de instituten voor hoger- en wetenschappelijk onderwijs, waaraan het fundamentele wetenschappelijke onderzoek is verbonden, is tot nog toe in onze maatschappij aan alle vormen van democratische toetsing en controle ontkomen onder het motto van: “hoe kunnen niet-deskundigen nu beoordelen of bepalen wat de doelstellingen van wetenschappelijk onderzoek dienen te zijn”.  Bij dit motto gaan de universiteitsraden voorbij aan het feit dat de geleerden van nu slechts een zeer specifieke, zeer gerichte geleerdheid bezitten in tegenstelling tot de geleerden uit vroegere eeuwen.

Nu is het kennisterrein van bijvoorbeeld automatiseringsdeskundigen zo specifiek dat zijn kennis van de maatschappij en de maatschappelijke wenselijkheden in het geheel niet van het niveau behoeft te zijn dan nodig is om de maatschappelijke waarde van zijn werk te bepalen in het licht van de toekomst der mensheid. Geen controle kan leiden tot geest uit de fles latende onderzoekers.

Voorbeelden van “een geest uit de fles latend onderzoek” is het onderzoek dat leidde tot de atoombom. De dreiging van een totale nucleaire vernietiging der mensheid zal ons nageslacht tot het einde der dagen met zich meedragen. Nooit, ook bij een totale nucleaire ontwapening, is die geest, die kennis weer terug in de fles te krijgen. De mens heeft door het vergaren van kennis der kernfysica iets onomkeerbaars tot stand gebracht. Deze vergaarde kennis zal de mens op ieder moment in staat stellen zichzelf en zijn medemens te vernietigen.

Het DNA-onderzoek van nu laat op dit moment ook zo’n geest ontsnappen. De mens van nu slaat het ene gevaarlijke pad na het andere in met behulp van de in ijltempo verbeterde onderzoekstechnieken van de laatste decennia. Innovators wijzen altijd op de toekomst, in materiële zin zonder zich om de directe gevolgen in het heden te bekommeren. 

1.1

Het Luddisme heeft als leidraad dat de mens middels democratische structuren invloed moet uit kunnen oefenen op  alle onderzoeken, welke maatschappelijke gevolgen kunnen hebben, dus ook bedrijven moeten in deze visie hun onderzoeksdoelstellingen laten toetsen op de maatschappelijke wenselijkheid. 

1.2

Naar de geest van het Luddisme moet als tweede veiligheidsgordel iedere uitvinding getoetst worden voor haar praktische invoering op haar maatschappelijke gevolgen. Toetsing en toelatingsbeoordeling moet ter bescherming van de uitvindersrechten, gelijk het een patent verlening betrof, in het geheim door een parlementscommissie gebeuren met verantwoording achteraf aan het parlement. 

2.    ARBEIDSBESPARINGEN, WIE BETAALT HET?

Ook met de invoering van arbeidsbesparende technieken wordt er geen rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen, laat staan dat men zich afvraagt of wij het met zijn allen wel willen. In onze economie wordt arbeid door werkgevers slechts gezien als een kostenfactor. Ook in het verleden leidde dit reeds tot ondoordachte maatregelen, welke door de maatschappij als geheel ongetoetst werden getolereerd. Onder het motto “ik ben een prins, gij zijt een prins, maar wie zal onze varkens hoeden?” werden in de laatste decennia als antwoord op deze vraag grote hoeveelheden gastarbeiders naar ons land gehaald om het vuile en/of eentonige werk te doen. Nu staan we voor de gevolgen. In het gunstigste geval verzetten we ons tegen racisme, maar van de oorzaken wordt geweigerd te leren. Nog steeds kunnen de op meer winst beluste ondernemers of burgers maatregelen nemen zonder maatschappelijke toetsing, welke leidden tot persoonlijk gewin, maar maatschappelijke een schade opleveren welke tot geen enkele verhouding staat tot het gewin. De absurditeit ten top is wel dat de maatschappij grote hoeveelheden middelen ter beschikking stelt middels de W.I.R. aan grotendeels ondernemers die maatschappelijk ongewenste arbeidsbesparende maatregelen nemen. Subsidie op het besparen van arbeid alsof met ruim achthonderdduizend werklozen (maart 1984) het besparen van arbeid een voor ons volk en onze samenleving een doelstelling op zich of een behoefte zou zijn.

Als de staat, burger of bedrijf geld bespaart, betekent zo’n besparing dat dit geld nu of later anders besteed kan worden. Een besparing van arbeid, terwijl er veel werklozen zijn zoals nu, betekent niet dat arbeid nu of later anders aangewend kan worden. Deze “besparing” levert maatschappelijk gezien geen enkele materiële winst op, terwijl het sociale verlies (zoals in een latere paragraaf nader aangeduid zal worden) aanzienlijk is.

Materieel gezien levert een arbeidsbesparing, welke tot stand komt door middel van een diepteinvestering in apparatuur welke geheel of gedeeltelijk wordt ingevoerd, zelfs een verlies op, indien de kosten van de apparatuur aan renteverliezen, afschrijvingen en onderhoud van dat importdeel meer is dan circa 20 % (het verschil tussen arbeidsinkomen en overdrachtsinkomen) van de besparing aan arbeidskosten. Dit materieel verlies komt echter niet ten laste van de arbeidsbesparende ondernemer of Staat, maar ten laste van de totale maatschappij. De arbeidsbespaarder vergeet echter dat hij deze lasten uiteindelijk weer op zijn bordje krijgt middels de collectieve lasten, welke opgebracht moeten worden om de bespaarde arbeider een menswaardig bestaan te bieden.

Als Overheid en ondernemers ieder in gelijke mate nu met achthonderdduizend werklozen arbeidsbesparend investeren, gaan we er dus met zijn allen, omdat het importdeel van de investering ruim boven de 20 % ligt, door het over de grens verdwijnende geld, op achteruit. 

2.1

Het Luddisme wijst iedere subsidieverlening op arbeidsbesparende investeringen af. Aan dit anti-maatschappelijke gebruik van maatschappelijke middelen moet onverwijld een eind worden gemaakt. 

2.2

Het Luddisme wijst arbeidsbesparende investeringen, waarbij meer dan 20 % van de investeringsgelden over de grens verdwijnt af en is van mening dat de Overheid voor deze investeringen geen vergunningen meer mag afgeven. 

2.3

Het Luddisme wijst iedere subsidie of overheidsstimulatie van de zogenaamde High Technology af. Zij vindt al dat gepraat over computer- en informatietechnologiën als High Tech, welke de markt van de toekomst zou zijn, een totale miskenning van de huidige markten waarop het Nederlandse bedrijfsleven internationale faam geniet. Willen we deze markten behouden, dan moeten we zien dat we het bedrijfsleven, dat op die markten opereert, stimuleren. De technologische voorsprong die we hebben moet worden behouden. Voor het Luddisme is het Nederlandse stamboekvee, onze waterbouwkundige werken, bloementeelt, land- en tuinbouwproducten High Tech. 

2.4

Het Luddisme is van mening dat de wijze van financiering van ons sociaal verzekeringsstelsel, stelselmatig fout is. Deze financieringsmethode lokt uit tot arbeidsafstoot, aangezien bij iedere vermindering van het gebruik van arbeid voor een bedrijf een enorme besparing optreedt aan loonkosten en sociale lasten.

2.5

Het Luddisme wil dat de sociale lasten niet opgebracht worden door de bedrijven naar ratio van het aantal mensen dat zij in dienst hebben, maar naar ratio van de toegevoegde waarde van hun productie. Op deze manier worden de bedrijven die arbeidsintensieve producten maken niet onevenredig zwaar belast, maar meer naar draagkracht. Deze financieringsvorm zet geen premie op de afstoot van arbeidskrachten. Denkbaar is zelfs een systeem waarbij de inzet van arbeidskrachten stelselmatig bevorderd wordt. Men zou bijvoorbeeld uit kunnen gaan van het gegeven dat de volledige bevolking uit het bruto nationaal product (dat gevormd wordt door de som van alle toegevoegde waarde van de bedrijven en organisaties), een uitkering ingevolge de Bijstandswet zou ontvangen.

Het voor de financiering hiervan benodigde percentage van het bruto nationaal product is dan de heffingsgrondslag per bedrijf op de door hen geproduceerde toegevoegde waarde. Op deze heffing kan dan een korting per bedrijf worden toegepast die gelijk is aan de bijstand welke haar werknemers zouden ontvangen indien ze werkloos zouden zijn. Door bij de invoering van dit systeem een differentiatie toe te passen per bedrijfstak, gebaseerd op de arbeidsintensiviteit per bedrijfstak, kan dit zonder directe lastenverzwaring doorgevoerd worden.

Deze nieuwe financieringsmethode leidt er toe dat menselijke arbeid als kostenfactor aantrekkelijker wordt om in te investeren. Indien een bedrijf in de huidige situatie een werknemer aanneemt kost deze het bedrijf een brutoloon plus het werkgeversaandeel in de sociale lasten in totaal circa 140 % van het brutoloon. In dit nieuwe financieringssysteem kost een nieuwe arbeider niet 140 % maar het brutoloon minus de uitkering van de arbeider (zijnde 80 %) dus slechts 20 % van het brutoloon. Deze methode maakt de aantrekking van nieuwe arbeidskrachten aantrekkelijk. Deze geringe kostenverhoging zal er toe kunnen leiden dat werk wat nu niet kan gebeuren, dan wel zal gebeuren. Zaken als research, service en reparatie-afdelingen gaan dan een nieuwe toekomst tegemoet. Ook de concurrentie met de zogenaamde lage-loon-landen kunnen we dan weer volledig aan. 

3.    ARBEID EN HET MENSELIJK GELUK

Wat is arbeid?

Arbeid in elke vorm van menselijke samenleving is van oudsher een basiswaarde. Het is een vorm van sociaal genormeerd gedrag gericht op de instandhouding van het leefmilieu. In de visie van het Luddisme is arbeid een zich beschikbaar stellen om iets te verrichten of tot stand te brengen, waar anderen behoefte aan hebben. Het kernpunt in het menselijk bestaan ligt in het nuttig zijn voor anderen, iets betekenen voor anderen. Hoeveel mensen vragen zich niet eens af welke sporen laat mijn bestaan na, wat beteken ik voor of in deze wereld voor mijn medemens, voor de maatschappij: wat is mijn nut?

Het nu van de mens als individu ligt mede, en niet voor een onaanzienlijk deel, in zijn arbeid. Hij maakt iets, hij produceert iets, wat nuttig is voor een medemens. Dit besef is diep verankerd in de mens en in onze samenleving. Arbeid geeft status. Onze maatschappij kent structureel een belangrijke plaats en cultureel een belangrijke waarde aan arbeid toe.

Wat zeiden denkers in het verleden over arbeid?

Reeds volgens Thomas More (1478-1534) is arbeid goed voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de mens tot een door de maatschappij aanvaard en gewaardeerd individu.

Volgens Kant (1724-1804) vindt de zelfsituering van de mens eerst en vooral door arbeid plaats.

Volgens Karl Marx (1818-1883) is de mens in de eerste plaats een wezen dat bestaat doordat hij via arbeid aan de natuur datgene ontrukt, dat hij voor zijn bestaan nodig heeft.

Sinds 1956 praat men over de samenleving als een arbeidsbestel en aanvaardde men dat men inkomen, plaats in de samenleving en sociaal aanzien, kortom zijn maatschappelijk “zijn” in hoge mate dankt aan zijn plaats in het arbeidsbestel. Schoolgang is de voorbereiding op die plaats. Na het pensioen leeft men nog van die plaats. Ja, men is wat men is door die plaats.

Als men kijkt naar de emancipatie, dan blijkt dat deze staat of valt, in ieder geval overheerst wordt door de eis van de vrouw op een plaats in het arbeidsbestel.

Naar eigen besef en in de ogen van anderen is arbeid noodzakelijk om een volwaardig lid van de samenleving te zijn. Dit komt steeds meer kwantitatief en kwalitatief in gevaar, hetgeen komt door de voortschrijdende automatisering welke wordt doorgevoerd omdat onze economie arbeid uitsluitend ziet als een kostenfactor zonder besef van de grote maatschappelijke waarde van arbeid in onze qua oorsprong Calvinistische maatschappij. Dit uitsluitend zien van arbeid als kostenfactor leidt tot structurele werkloosheid. Ons traditionele arbeidsethos is Calvinistisch van oorsprong en succes in de arbeid werd en wordt gezien als een teken van uitverkiezing ten opzichte van de medemens. De beroepsplicht is een ethisch gekleurde opvatting en een schending van deze plicht wordt gezien als een plichtsverzaking. Deze opvattingen nu zijn geleidelijk overgenomen door de socialistische ethiek. In deze opvatting inzake de arbeidsethiek bepaalt de economische productiviteit en niet de volwaardigheid, de zingeving van de arbeid. Dit leidt er toe dat men het begrip arbeid tegenwoordig heeft verengd tot betaalde activiteiten. Betaalde/onbetaalde arbeid is vaak vrij willekeurig. Waarom zijn bijvoorbeeld bepaalde vormen van vrijwilligerswerk onbetaald, terwijl er wel een grote behoefte aan is?

Vandaag de dag praat men wel over andere vormen van nuttigheid ten behoeve van de gemeenschap en dat de jeugd daarop middels de schoolopleiding beter op voorbereid moet worden, maar de huidige maatschappelijke opvattingen zien helaas nog steeds betaalde arbeid als de enige echte en zij is als zodanig ook de enig gewaardeerde nuttige arbeid. De kans op zulke gewaardeerde arbeid is de huidige jeugd vrijwel ontnomen. En daar staan ze dan onvoorbereid in een maatschappij, die nog steeds terecht of onterecht maatschappelijke volwaarheid als mens relateert aan het hebben van en het niveau van de betaalde arbeid die men heeft.

Constaterende dat het volwaardigheidsgevoel en geluk van een mens in hoge mate afhankelijk is van het hebben van betaald werk, weigert het Luddisme de noodwendigheid van een hoge werkloosheid te aanvaarden. De automatisering berooft de mens althans voor de meesten onder ons, van de voornaamste expressievorm, arbeid, nuttigheid. Werkloosheid mag niet, niet om zichzelf en niet omdat het getuigd van het onvermogen van een samenleving om één van haar centrale waarden onverkort in een maatschappelijke realiteit om te zetten. Het verrichten van arbeid biedt de mogelijkheden om persoonlijke kwaliteiten tot ontplooing te brengen. Arbeid is voor velen de enige vorm van zelfrealisatie.

Als je automatiseringsdeskundigen hoort beweren dat automatisering het werk hier houdt, omdat bij een geautomatiseerde productie de arbeidskosten hier net zo hoog zijn als in Taiwan of Tunesië, zeggen zij daar feitelijk mee dat de arbeider overbodig is geworden. 

3.1

Het Luddisme wenst de mens zijn centrale plek in de productie terug te geven.

3.2

Het Luddisme eist dan ook een heffing op arbeidsbesparende machines alsmede op de producten die met deze machines zijn gemaakt. 

4.    AUTOMATISERING EN DE KWALITEIT VAN ARBEID

De afgelopen decennia zijn steeds meer ingewikkelde handelingen in het productieproces vervangen door een kunstmatige ordening van grote aantallen handelingen van eenvoudigere aard. Vervolgens zien we in toenemende mate de geleidelijke vervanging van de tevoren vereenvoudigde werkzaamheden door automatisch werkende apparatuur. Deze massale vervanging van goedkope arbeidskracht door machinekracht leidt tot de massale vernietiging van arbeidsplaatsen en zodoende tot de creatie van een voortdurende kwantitatief economisch tekort aan werkgelegenheid en door de daarmee gepaard gaande inkomensdaling evenzo een tekort aan consumptie. Automatisering leidt ook tot een andere verdeling van het takenpakket over de resterende arbeiders.

Voor een kleine groep functies, o.a. de planners, de programmeurs leidt automatisering tot een functieverzwaring en derhalve tot een hoger niveau. Voor de massa wordt de kwaliteit van het werk over de gehele linie uitgehold. Vele geschoolden en veel vakkennis en vaardigheid vereisende functies op het middenniveau komen te vervallen. Het leidt er toe dat de werkgelegenheidsstructuur de vorm krijgt van een zandloper. De brede basis gevuld met half en ongeschoold werk en een smalle top bestaande uit hooggeschoolde arbeid. Kortom het werk met de meeste waardering van het vakmanschap wordt overbodig.

Tegelijkertijd doet zich bij tal van mechaniserings- en automatiseringsprocessen de tendens voor naar minder speelruimte bij het werk. Men wordt net als bij de lopende band een verlengstuk van de machine. De machine bepaalt het tempo, niet meer de werker.

Door de mechanisering en automatisering vervreemdt de productiewerker van het geproduceerde en zijn werkomgeving.

Volgens de Amerikaan Robert Blauner in Alienation and Freedom 1964 wordt vervreemding van de arbeid in het industriële productieproces door de voortgaande technologie veroorzaakt. Criteria voor deze vervreemding zijn: machteloosheid, zinloosheid, isolement en zelfvervreemding. Op de hogere niveaus qua opleiding, zoals in de procesindustrie, waar hogere kwalificaties vereist zijn, is dit minder. De beheersing over de arbeidsinhoud en de arbeidsomstandigheden is door de mechanisatie en automatisering aan de arbeider ontnomen. Automatisering maakt enkele mensen misschien rijk, maar wat maakt het van de mensheid!

Juist nu de mens de waarde van zijn eigen persoonlijkheid leert kennen en waarderen, dwingt de voortgaande automatisering hem weer om in toenemende mate zijn persoonlijkheid aan het werk ondergeschikt te maken, hiermede een botsing veroorzakend tussen de beleving van het individu van de maatschappelijke ontwikkeling en de beleving van de arbeid in het licht van de automatisering. Automatisering bedreigt niet alleen arbeidsplaatsen en haar kwaliteit, maar ook het hiërarchische niveau, omdat met name lager leidinggevend kader wordt uitgeschakeld. 

4.1

Daar automatisering kwalitatief en kwantitatief de arbeidsbeleving bedreigt, verlangt het Luddisme van de Overheid stimulering van het onderzoek naar de effecten van doorgevoerde automatiseringen op de arbeidsbeleving. Tevens verlangt het Luddisme dat door de Overheid aan de conclusies van deze onderzoeken follow-up wordt gepleegd door passende beleidsmaatregelen. 

5.     DE MAATSCHAPPELIJKE EFFECTEN VAN WERKLOOSHEID EN DE ONTWIKKELING VAN DE CONSUMPTIEMAATSCHAPPIJ

De maatschappijvorm is in de loop der geschiedenis de afgelopen honderden jaren gegaan van een agrarische naar een industriële en van een industriële gaat het nu naar een zogenaamde dienstenmaatschappij. Tijdens die overgangsperioden heeft de arbeider die werkzaam was in de oude sector een lagere sociale status. Zo was de boer in de vroeg industriële maatschappij een synoniem voor: niet bij de tijd, achterlijk, dom en vuil. Ook nu zie je weer dat de industrie-arbeider uit is. Kijk maar eens naar de sterspots. Het barst van de bankemployees, verzekeraars, vergaderaars, enz. Kortom, de zogenaamde kwartaire sector is in. De industriële maatsschappij wordt afgedankt en in diskrediet gebracht middels milieuverontreinigingen, energieverbruik, slechte arbeidsomstandigheden, enz.

Zo is ook de oriëntatie op de kwaliteit van de arbeid verschoven naar de kwaliteit van het bestaan, alsof dat in de praktijk van alle dag van de industrie-arbeider niet hetzelfde zou zijn. De wegbereiders zijn de zachte sectorleden. Ze spreiden hun eigen bed, welwillend geholpen door bijvoorbeeld de vakbonden, de media en de traditionele politieke partijen. De Nederlandse vakbeweging accepteert in grote lijnen de automatisering en beperkt zich tot het gladstrijken van directe problemen, zo lang er geen gedwongen ontslagen vallen, vindt zij op zich al dat zij geweldig gepresteerd heeft.

Door samen te werken op dit gebied van automatisering met de werkgevers, bevordert zij zelfs de automatisering door deze acceptabel te maken voor de mensen die er mee werken. Door deze houding bevordert zij de uitholling van de werkgelegenheid en de overgang naar de zogenaamde dienstenmaatschappij, ondertussen de industriële en administratieve werkers, alsmede de kansloze schoolverlaters fijnmalend tussen de molenstenen der tijdsgewrichten. De crisis van de jaren dertig leidde tot veel onderzoek naar de sociale gevolgen van werkloosheid. In het begin heeft men hoop op ander werk, is men eigenlijk blij met wat vrije tijd. Maar naar mate de tijd voortschrijdt zonder kans op een oplossing, worden de mensen steeds moedelozer en op den duur zijn zij te apatisch om nog tot enige opbouwende activiteit te komen. Vrije tijd heeft voor de inactieven een geheel andere betekenis dan voor de werkenden, als S.R. Parker e.a. in The Sociology of Industry, 1972.

In zijn “Die Lage der arbeitenden Klasse in England” kwam Friedrich Engels reeds in 1845 tot de conclusie dat de gevolgen van de voortgaande mechanisatie zou leiden tot een toenemende werkloosheid, misdaad en dronkenschap. Er is dus nog niets veranderd. Met de stijging van de werkloosheid is ook de stijging van de misdadigheid en de stijging van het alcohol ge-/misbruik kenmerkend voor deze tijd. De mens laat zich de ene rol na de andere opdringen. Zo wordt de producent middels zijn werkloosheid tot een beroepsmatige consument. Het consumeren wordt zo een algemeen aanvaarde en gewaardeerde bezigheid.

We zien echter in toenemende mate, dat niet alleen geproduceerde goederen worden geconsumeerd, maar ook menselijke relaties, ideeën, theorieën en ervaringen. Men nuttigt ze tot zij beginnen te vervelen, waarna men ze inruilt voor ander consumptiemateriaal. Kortom vrijblijvendheid en gebrek aan loyaliteit is troef. Dit is de ideologie van de verzorgingsstaat geworden. Deze ideologie propageert en stimuleert het groeps- en individuele egoïsme.

Als algemeen gehanteerde en aanvaarde normen gelden de volgende uitspraken nog steeds:

– Als iemand van het leven wil genieten, behoort hij ook bereid te zijn er hard voor te werken.

– Doen waar je zin in hebt, kun je pas als je je plicht gedaan hebt.

Deze algemeen gehanteerde normen staan in directe tegenspraak met de verzorgingsstaat.

De meest merkwaardige paradox van de samenleving is de verzorgingsstaat die enerzijds gebaseerd is op het systeem van betaalde arbeidsverdeling en die anderzijds gericht is op het garanderen van de sociale zekerheid en sociaal welzijn. Door het ingebouwde egoïsme van de consumptiemaatschappij kraakt nu het gebouw der zogenaamde verzorgingsstaat in al zijn voegen nu steeds grotere groepen van mensen, die zich niet meer een gewaardeerde maatschappelijke positie kunnen verwerven, zich melden om gebruik te maken van “de zegeningen” van de verzorgingsstaat. De mensen die in de loterij des levens wel een winnend lot hebben getrokken, trachten nu de uitgestotenen het morele recht te ontnemen, gebruik te maken van de verzorgingsstaat of, misschien juister geformuleerd, blijkt nu dat de in de sociale wetgeving geformuleerde doelstellingen slechts woorden waren en nu het op daden aankomt de “actieven” toch maar niet thuis geven. Is niet werken voor de werkende een mooie zoete droom, voor de niet werkenden is het vaak een nachtmerrie, die keer op keer het gevoel geeft buitengesloten te zijn. 

5.1

Voor het Luddisme is de gereglementeerde verzorgingsstaat een hydra welke de mens zijn gevoel voor sociale verantwoordelijkheid en loyaliteit ontnomen heeft. 

5.2

Voor het Luddisme zijn instellingen als bejaardenhuizen, gezinszorg en het beroepsmatig welzijnswerk instituten die de eigen verantwoordelijkheden in het sociaal functioneren van ieder mens in zijn leefgemeenschap hebben vermoord en/of stelselmatig hebben gekleineerd. Vroeger in het pre-verzorgingsstaattijdperk was het een sociale plicht en een voorrecht om het gezin van de buur te helpen, indien er aan hulp behoefte was. Deze sociale verwevenheid met de buurt of de straat leverde ook in niet noodsituaties contacten op waardoor vervreemding en eenzaamheid een heel andere inhoud hadden dan vandaag de dag. Voor het Luddisme is burgerzin in de meest ruime betekenis van het woord een vanzelfsprekendheid. Voor het Luddisme is burgerzin, solidariteit aan de basis, in de familie, in de straat, in de buurt. Daar hoeft behoudens in uiterste gevallen geen Overheid of betaalde kracht aan te pas te komen. 

5.3

De verzorgingsstaat heeft de burger middels de sociale premies een soort aflaat bezorgt. De sociale premies zijn een afkoopsom geworden van de verantwoordelijkheden voor de burger. Hoe vaak hoor je niet “we betalen er toch voor”.

De verzorgingsstaat is het gevolg van een socialisme dat uitgaat van de ideale utopische mens, zonder dat het zich realiseert dat de karakterstructuur van de mens zodanig is geconstrueerd dat hij sociale vaardigheden kan afleren. 

5.4

In de visie van het Luddisme vervreemdt automatisering de mens van het geproduceerde, op dezelfde manier als de verzorgingsstaat en de consumptiemaatschappij de mens heeft vervreemd van zijn eigen gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn medemens. 

6.     ARBEIDSPLICHT

In tegenstelling tot de stelling dat duurzaam menselijk geluk verband houdt met het gevoel nuttig te zijn voor de medemens, staat de menselijke afkeer voor bepaalde werkzaamheden, ook al zijn deze werkzaamheden nog zo nuttig. Voor bepaalde zware, vuile en/of eentonige arbeid zou misschien een arbeidsplicht ingevoerd moeten worden om de vraag en het aanbod van dit soort arbeid meer in evenwicht te brengen of om de last van deze arbeid eerlijker over de bevolking te verdelen. De aard van deze arbeid heeft vaak een lage status. Men kijkt erop neer. Vaak is de status mode- of tijdsafhankelijk. Als typisch voorbeeld kan hier het beroep van militair aangemerkt worden. Aan de status van bepaalde werkzaamheden kan door een andere scholingsgesteldheid gewerkt worden. Ten dienste van de afweer heeft men het verschil tussen vraag en aanbod opgeheven door een dienstplicht in te voeren, waarbij een ieder onvrijwillig een voor hem meestal niet passende tijdelijke functie in het leger wordt toegewezen. Zo mogelijk zouden dienstplichtigen moeten kunnen kiezen uit krijgsmacht, politie, douane, BB, brandweer, ziekenzorg, bejaardenzorg, volksgezondheid, jeugdwerk, overheidsdiensten of openbare nutsbedrijven. De keuzebegeleiding zal zodanig moeten zijn dat zowel kwantitatief als kwalitatief een optimale bezetting der diensten verkregen wordt. Deze arbeidsplicht geldt vanzelfsprekend voor iedereen van een bepaalde leeftijdscategorie, dus geen onderscheid meer tussen sekse. Ook kunnen er voor gewetensbezwaarden met betrekking tot bepaalde taken dan ruimere alternatieven geboden worden. Medische afkeuring voor bepaalde taken hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot totale vrijstelling, omdat er dan een veelheid van maatschappelijke functies voor handen zijn. Ieder individu kan mogelijk ook door een roulatie binnen dit systeem van arbeidsdienstplichtvervulling kennis maken met een veelheid van maatschappelijke dienstverlening en zodoende meer geïntegreerd raken in het totale maatschappelijke gebeuren. 

6.1

Het Luddisme staat een arbeidsplicht voor ogen voor iedere burger ter vervanging en uitbreiding van de huidige dienstplicht die uitsluitend betrekking heeft op mannen ter maatschappelijke scholing en -vorming. 

7.    HET LUDDISME EN DE ECONOMISCHE ORDENING

Voor het Luddisme is er een economische ordening voor de mensen. Hieruit volgt dat machines er zijn voor ons en niet wij voor de machines. Alles wat de economie produceert moet ten nutte komen van de mensen die het produceren en waarvoor het wordt geproduceerd. Dit impliceert dat de mensen het geproduceerde ook moeten kunnen kopen. Voor de door machines werkloos geworden arbeiders is dit op termijn niet meer het geval. Door de werkloosheid gaat de koopkracht omlaag en ontstaat er een overschot aan producten. Machines kunnen alles produceren, maar niets kopen. Of zoals een werkloze industrie-arbeider zei uit het Amerikaanse automekka Detroit: “Prachtig dat die robotten auto’s kunnen maken. Doodjammer alleen dat ze geen auto kunnen rijden”.

De computer wordt op een agressieve wijze in het ene gebied na het andere van het economisch- en maatschappelijk leven doorgedrukt zonder dat de wijsheid wordt opgebracht om de vakkennis, waardigheid en integriteit van de menselijke arbeid te redden. Nieuwe technologieën worden niet aangepast of ingepast in de behoeften en gewoonten van de samenleving. Ze worden ons opgedrongen! Charlie Chaplin’s “Modern Times” liet reeds zien wat er met de mens gebeurde in zijn relatie met de machines. Hij werd als individu tussen de tandraderen vermalen en gebracht tot aanhangsel van een reusachtige vijandelijke machinerie.

In 1931 deed Gandhi in een gesprek met diezelfde Charlie Chaplin een uitspraak waar het Luddisme zichzelf volledig in kan vinden. Gandhi zei: “Hoe sneller machines bewegen, des te sneller levende mensen en des te groter is ook de nerveuze spanning die de machine van de mens eist. Cultuur, ontspanning en het hele leven worden zo afhankelijk van de machines, dat de mens zelf er innerlijk armer van wordt. Het individu bevindt zich min of meer in de positie van de wilde, die zich een idool schept en er zich vervolgens aan onderwerpt.”.

De computer is het idool van nu. Het Luddisme zal strijden, opdat de mens zich daar niet verder aan zal onderwerpen. Het Luddisme wil de weg terugvinden naar een maatschappij waar minder door grondstoffen en energie verslindende machines wordt gedaan en meer door mensen. Het Luddisme wenst geen zinloze machines, zoals bijvoorbeeld lege flessenautomaten in supermarkten, die mensen werkloos maken die milieuvriendelijk werk deden op een milieuvriendelijke manier. Zo’n automaat is een zinloze, nutteloze machine en maatschappelijk gezien een vijand. De minimumloner die werkloos wordt zonder uitzicht op een betere toekomst wordt vervangen door een duur energieverbruikend apparaat. Maatschappelijk gezien wordt een mens toegevoegd aan het leger der inleveraars en verdwijnt kostbaar geld naar een ander land. Onvervangbare grondstoffen en energie worden gebruikt en dat alles omdat een grootgrutter 60 tot 70 % van de manjaarkosten zelf uitspaart en daarvoor de minimumloner overhevelt naar de collectieve lasten die wij met z’n allen mogen opbrengen. 

7.1

Op dit soort apparaten moet onverwijld een hoge belasting geheven worden om aan de verspilling van menselijk gelukt, maatschappelijk geld en onvervangbare grondstoffen een eind te maken.

 

* * * * * * * * * * * * * *

 

Het Luddisme is een oude beweging voortgekomen uit het besef van de onvervangbare creativiteit van de mens. Het Luddisme heeft reeds tweehonderd jaar geleden van zich doen spreken, toen ten tijde van de zogenaamde eerste industriële revolutie mensen massaal de keien werden opgesmeten door de mechanisatie. Nu beleven we eenzelfde proces. De politici hebben nog niets geleerd van de gebeurtenissen van toen.

Door de automatisering bedreigde sectoren zijn:

– het onderwijs

– de gezondheidszorg

– de detailhandel

– de industrie

– de land- en tuinbouw

– de administratieve sectoren zoals bank- en verzekeringsbedrijven. 

Het Luddisme zal net als in het verleden trachten het tij te keren. Voor Luddieten is het vervullen van maatschappelijke behoeften de motor van de economie. Dit stelt andere eisen aan wetenschap, techniek en arbeidsverhoudingen, dan in onze laissez-faire economie gebruikelijk is. 

7.2

Luddieten zeggen alleen ja tegen nieuwe technieken als ze mensvriendelijk zijn. 

7.3

Luddieten zijn niet tevreden met geen gedwongen ontslagen bij automatisering. 

7.4

Luddieten staan voor de opbouw van werkgelegenheid voor en door mensen. 

7.5

Rekening houdend met de beperkingen van de menselijke karakterstructuren geloven wij niet in een vreedzame, menselijke maatschappij gerund door machines. Luddieten willen dat de mens als zelfdenkend, zelfleidend, zelflevend, zelfervarend individu met volledige beschermde rechten overeind blijft in een voor én door hen geschapen democratische wereld. 

Computers geven steeds meer macht aan enkelen. Zij kunnen al onze gedragingen controleren, heus niet alleen onze GEB-rekeningen, maar al onze (mis)stappen. 

7.6

DAAROM LUDDIETEN, WELKE TAAL U OOK SPREEKT,

ONDERWERPT U NIET AAN DE MACHINE,

MAAR VERNIETIGT DE MACHINE DIE U BEDREIGT

MET HET WAPEN BIJ UITSTEK: DE MENSELIJKE GEEST.

LAAT U NIET KNECHTEN,

MAAR ONTWORSTELT U AAN DE MAALSTROOM

DIE TECHNISCHE VOORUITGANG WORDT GENOEMD

 

* * * * * * * * * *

 

Naschrift

Een pro-arbeidtijdsverkortingsstandpunt zoekt u tevergeefs in dit programma. Arbeidtijdsverkorting is voor ons een middel om arbeid eerlijker te verdelen. Het schept geen arbeid, hooguit geeft het meer arbeidsplaatsen.

Kortom streven naar arbeidtijdsverkorting is toegeven dat de machine het wint van de mens en dat de mens daar in berust. Daarom is arbeidtijdsverkorting geen Ludditisch onderwerp.

 


 

 

EIGEN BEHEER: DE GESCHIEDENIS VAN HET LUDDISME

 


 

DE GESCHIEDENIS VAN HET LUDDISME 

 

INHOUDSOPGAVE 

 

1.        INLEIDING                                                                       

2.       DE MAATSCHAPPELIJKE OMSTANDIGHEDEN WELKE  LEIDDEN TOT HET ONTSTAAN VAN HET LUDDISME     

3.        DOELSTELLINGEN EN ORGANISATIE DER  LUDDIETEN                                                                    

4.       DE GESCHIEDENIS DER LUDDIETEN                           

5.       DE JUSTITIE EN HET LUDDISME                                     

6.       EN VERDER . . . .                                                             

7.       EPILOOG                                                                           

8.       LITERATUUROVERZICHT                                         

door: Louis van der Kallen, april 1983 

 kaartje luddisme

1.       INLEIDING 

De geschiedenis van het Luddisme is de geschiedenis van de negentiende eeuwse textielarbeider, die zich verzet tegen de mechanisatie van zijn industrie. De historie van die textiel­arbeiders vertoont grote overeenkomst met de geschiedenis, welke nu geschreven wordt en opgeroepen wordt door de automa­tisering. De automatisering heeft nu precies dezelfde gevol­gen als de mechanisatie toen. 

2.       DE MAATSCHAPPELIJKE OMSTANDIGHEDEN  WELKE LEIDDEN TOT HET ONTSTAAN VAN HET LUDDISME 

Het Luddisme is een oude beweging, welke haar ontstaan vond aan het eind van de achttiende eeuw in Midden-Engeland. Nà de patentverlening op een nieuwe textielmachine aan Arkwright in 1775 stichtte deze in 1776 in Lancashire een fabriek te Birkacre nabij Chorley. In oktober van dat jaar viel een menigte van circa 8.000 mensen deze fabriek aan en verwoestte deze. Er vielen daarbij twee doden en acht gewonden. De totale materiële schade werd geraamd op £ 4.400. Dit was de eerste keer dat de weerstand tegen arbeidbesparende machines op een dergelijk grote schaal tot vernielingen leidde. Daarna groeide het verzet. De verlening van een patent aan William Toplis of Cuckney was de directe aanleiding tot een bijeenkomst van wolwerkers in april 1793 in Bradninch nabij Cullompton, waarbij een petitie aan het parlement werd opgesteld, waarin werd gevraagd bepaalde machines te verbieden omdat zij 70.000 families dreigden brodeloos te maken. In de eerste maanden van 1794 volgden petities aan het parlement, vrijwel uit alle districten waarin textielarbeid werd verricht. Deze later als ‘Barnstable petitioners’ bekend geworden arbeiders stuurden allen de volgende tekst naar het parlement:

“Beg leave to state to the House that by the Invention and Practice of a Machine for the combing of Wool which diminishes Labour to an alarming Degree, the Petitioners entertain serious and just fears that themselves and Families will speedily become a useless and heavy Burthen to the State; That it appears to the Petitioners that One Machine only, with the assistance of One person and Four of Five Children, will perform as much Labour as Thirty Men in the customary Manual Manner… That the Machines, of which the Petitioners complain, are rapidly multiplying throughout the Kingdom, the pernicious Effect of which have already been sensibly felt by the Petitioners, numbers of whom thereby are in want of Occupation and Food; and that it is with the most heartfelt sorrow and anguish the Petitioners anticipate that fast approaching period of Consummate Wretchedness and Poverty, when Fifty Thousand of the Petitioners, together with their distressed Families, by a lucrative Monopoly of the Means of earning their Bread, will be inevitably compelled to seek Relief from their several Parishes.”. 

In 1804 werden door het parlement de zogenaamd ‘Corn Law’s’ aangenomen, waardoor granen alleen mochten worden ingevoerd als de graanprijzen een bepaald zeer hoog niveau te boven zouden gaan. Deze wetten werden in 1815 aangepast en golden tot 1846. Dit had tot gevolg dat de graanprijzen sterk begonnen te stijgen (zie tabel I). 1) 

TABEL I 

Jaar

Gemiddelde prijs

per quarter (291 ltr) 2)

Prijsstijging t.o.v.

1786-1790 in %

   

1786-1790

26

2

0

1790-1795

53

8

105

1795-1800

73

5

181

1801-1805

80

0

207

1806-1810

87

11

235

1811-1815

94

3

261

1816-1820

80

10

208

1812

126

6

384

1813

109

9

319

 Tegelijkertijd begonnen door de combinatiewet van 1799/1800, welke vakbondsacties verbood, de lonen die de volwassen mannen verdienden sterk te dalen. 

Een daling welke tot 1840 zou voortduren (zie tabel II) 1)

TABEL II

 

Jaar

Gemiddelde weekloon

koopkracht-

ontwikkeling 3)

   

1797-1804

26

8

100

1804-1811

20

0

75

1811-1818

14

7

54

1818-1825

8

9

32

1825-1832

6

4

23

1811

12

6

47

In 1807 ondertekenden honderddertigduizend wevers uit Lancashire, Cheshire en Yorkshire een petitie aan het parlement, waarin gevraagd werd om een minimumloon. In geheel 1808 was er sprake van een groot aantal arbeidsconflicten, waarin de eisen van de arbeiders neerkwamen op een stop van de prijsstijgingen van de eerste levensbehoeften, op een stop op de loondalingen en een stop op de steeds grotere vervanging van arbeiders door machines. Deze acties waren enorm qua omvang. In juni 1808 lagen alleen al in het Manchesterdistrict zestigduizend weefgetouwen stil.

Wat maakte nu de introductie van de machines mogelijk? Dat was de opkomst der laissez-faire. De opkomst van de laissez-faire betekende het einde van de kleine textielondernemers, die in werkplaatsen met enkele werknemers hun brood verdienden. De accumulatie van kapitaal middels de kanthandel, stelden de grote ondernemers, in deze voor de handel zeer slechte tijden, in staat om de nieuwe uitvindingen welke arbeid nog goedkoper maakten te installeren en in gebruik te nemen. Hiermee werden de kleine ondernemers en handwerklieden en 50 tot 80 % van de geschoolde textielarbeiders direct in hun bestaan bedreigd.

In deze periode trad er een algemene neergang van de economie in, waaronder de textielindustrie zeer zwaar leed. De oorzaken waren velerlei. Als belangrijksten kunnen worden genoemd:

1.     Het verloren gaan van de Amerikaanse koloniën, waardoor een markt voor eindproducten verloren ging, maar ook, en dat was zo mogelijk nog belangrijker, een groot deel der katoenproductie van de zuidelijke staten kwam niet meer naar Engeland om daar verder bewerkt te worden.

2.     Het continentale stelsel, waardoor de export van textielproducten naar het continent, welke voor de napoleontische oorlogen tot ca. 1/3 van de totale Engelse textielproductie was opgelopen, grotendeels kwam te vervallen.

3.     Door de jaar in jaar uit voortdurende oorlogen waren de belastingen tot record hoogten opgelopen, waardoor de lagere en midden klassen leeggezogen werden en de koopkracht ver was teruggebracht.

4.     Door veranderingen in de mode, waardoor een aantal bedrijven, die uitsluitend zogenaamde twills maakten, over de kop gingen. 

Door de neergang van de handel, de snelle mechanisatie en de steeds verdergaande vervanging van mannen door onderbetaalde vrouwen en kinderen, steeg de werkloosheid in sommige steden tot 80 % van de volwassen mannen. Door de hoge belastingen, de dalende lonen en de stijgende graanprijzen raakten de lagere klassen in een uitzichtloze situatie van honger en ellende. Veel gezinnen waren de kostwinner door de in 1812 reeds 18 jaar durende oorlogen op de slagvelden kwijtgeraakt. Achterblijvende vrouwen moesten maar zien hoe ze het redden.

De kerkelijke hulpfondsen die in normale tijden de gezinnen zonder inkomen in ieder geval van voeding konden voorzien, waren nu door de massale werkloosheid niet meer in staat tot enige hulpverlening, omdat er vrijwel geen gezinnen meer waren die nog iets aan deze fondsen konden afstaan. Als voorbeeld het plaatsje Hinckley in 1811: van de twaalfhonderd gezinnen, welke totaal 6.000 mensen omvatten, werd slechts in 600 gezinnen door arbeid inkomen binnengebracht., In de anderen was iedereen werkloos. Van de 600 gezinnen die wel inkomen hadden uit arbeid waren er 300 vrijgesteld van een bijdrage aan de kerkelijke fondsen wegens hun armoede.

De resterende 300 gezinnen moesten dus middelen opbrengen voor de 600 werkloze gezinnen om te overleven. Ze stierven dus als ratten aan de honger!

Een ander voorbeeld was Nottingham, de plaats waar de onlusten startten. Toen was ook daar meer dan de helft van de bevolking armlastig.

En wat deed de regering om de hulp te ledigen? De regering deed niets, hetgeen niet zo verwonderlijk is als we ons realiseren dat de belangrijkste econoom, waar de regering zijn oor te luisteren legde, Malthus was. Malthus de man die toen reeds verkondigde, dat Engeland te vol was en honger het natuurlijke correctie mechanisme was om het evenwicht te herstellen. Ter illustratie een uitspraak van hem uit die periode: “Een man die geboren is in een wereld die reeds in bezit genomen is, of als de maatschappij zijn arbeid niet wenst, heeft geen aanspraak of recht om zich te bevinden waar hij is. Er is voor hem geen plaats aan tafel bij het machtige feest der natuur”.

Dus was het geen wonder dat de revolutie. die op het continent woedde, ook in dat Engeland populair begon te worden. Zo getuige ook het volgende rijmpje:

‘The Revolution is begun

So I’ll go home and get my gun

And shoot the Duke of Wellington”

(Belper streetsong)

 

De problemen en gedachten der arbeiders werden vaak treffend vertolkt door hun gedichten. Hiervan enkele voorbeelden, die voor zich spreken: 

“My loom’s entirely out of square

My rolls now worm-eaten are;

My clamps and treadles they are broke

My battons, they won’t strike a stroke;

My porry’s covered with the dust

My shears and pickers eat with rust;

My reed and harness are worn out

My wheel won’t turn a quill about;

My shuttle’s broke, my glass is run

 My droplee’s shot – my cane is done!”                      4)

 

“Tyrants, Ye fill the poor with dread

And take way his right

And raise the price of meat and bread

And thus his labour blight.         

You never labour, never toil,

But you can eat an drink;

You never cultivate the soil,

Nor of the poor man think…. “                           5)

 

“You gentlemen and tradesmen, that ride about at will

Look down on these poor people; it’s enough to make you crill.

Look down on these poor people, as you ride up and down

I think there is a God above will bring your pride quite down.

 

You pull down our wages, shamefully to tell

You got into the markets, and say you cannot sell

And when that we do ask you when these bad times will mend

You quickly give an answer, ‘When the wars are at and end’

 

You go to church on Sunday, I’m sure it’s nought but pride

There can be nog religion where humanity’s thrown aside

If there be a place in heaven, as there is in the Exchange

Our poor souls must not come near there, like lost sheep they must range

 

With the choicest of strong dainties your table overspread

With good ale and strong brandy, to make four faces red

You call’d a set of visitors – it is you whole delight –

And you lay your heads together to make our faces white

 

You say that Bonyparty he’s been the spoil of all

And that we have got reason to pray for his downfall

Now Bonyparty’s dead and gone and it is plainly shown

That we have bigger tyrants in Boneys of our own”           6)

 

“You tyrants of England, your race may soon be run

You may be brought unto account for what you’ve sorely done”       6)

Tot circa 1840 hadden de arbeiders in de Engelse textieldistricten het erg moeilijk. Velen stierven, velen emigreerden. Volgens vele historici overleefden de massa enkel en alleen op aardappels.  7)  De aardappel bleek een stabiliserende sociale factor, dit is treffend verwoord door Mr. Salaman:

“… the use of the potato …. did, in fact, enable the workers to survive on the lowest possible wage. It may be that in this way the potato prolonged and encouraged, for anouther hundred years, the impoverishment and degradation of the English masses; but what was the alternative, surely nothing but bloody revolution. That England escaped such a violent upheaval in the early decades of the ninetheenth century…. must in large measure be placed to the credit of the potato.”  8)

Na 1840 verbeterden de omstandigheden snel; emigratie, vrede en de ontwikkeling der spoorwegen lagen daaraan ten grondslag.

Onder de geschetste omstandigheden ontstond zo rond 1810/1811 het Luddisme, als een Engelse versie van een Jacobijnse beweging, welke zich verzette tegen een ongebreidelde beheersing van de hebzucht over de productiemiddelen.

Het Luddisme was toen reeds industrieel van oorsprong. Er ontstonden al snel twee afzonderlijk opererende vleugels: een parlementaire, die de eisen vertaalde in algemeen stemrecht en arbeidsbeschermende wetten en een vakbondsvleugel, die de vernieling van machines een vorm van actie vonden, welke gezien de uiterst moeilijke omstandigheden een aanvaardbare was. 

1) Uit: Common People 1746-1946 van G.D.H. Cole

2) Dit zijn jaar en land gemiddelden, lokaal en in bepaalde seizoenen kon de prijs nog hoger zijn.

3) Bij besteding aan gelijke delen tarwebloem, havermeel, aardappelen en slagersvlees.

4) Uit: Samuel Sholl’s Historical Account of the Silk Manufacture 1811.

5) onbekende gevangene.

6) J. Harland.

7) zie “The Englisman’s Food (1939) van J.C. Drummond an A. Wilbraham.

8) R.N. Salaman, The History and Social Influence of the Potato (Cambridge, 1949).

 

3.      DOELSTELLINGEN EN ORGANISATIE DER EERSTE  LUDDIETEN

 

In 1811/12 werden de Engelse textieldistricten beheerst door de Ludditische onlusten. Wie waren de Luddieten, wat waren hun doelstellingen en wat was hun oorsprong?

Voor de beantwoording van deze vragen moet men het Luddisme uit die periode splitsen naar haar ontstaansgebieden, welke ieder hun eigen typische kenmerken, motieven en eisen hadden. Zo ontstonden er drie onderscheidenlijke groepen:

–         the Nottingham Luddites

–         the Yorkshire Luddites

–         the Lancashire/Cheshire Luddites. 

Al deze groepen waren geheime ondergrondse organisaties.

De Luddieten kenden geen overkoepelende organisaties. Iedere groep werkte onafhankelijk in een beperkt gebied onder aanvoering van een leider, die meestal Generaal Ned Ludd werd genoemd.

Ned Ludd was een mythisch figuur, die vermoedelijk nooit heeft bestaan. Een veel verteld verhaal is echter het verhaal van Ned Ludd, een jongen die bij een meningsverschil met zijn werkgever het weefgetouw waaraan hij werkte in elkaar sloeg.

Andere aangenomen leidersnamen waren: King Ludd, Eliza Ludd, Lady Ludd, Peter Plush, Thomas Paine, No King, A True Man, Mr. Pistol, General Justice, Joe Friebrand en Capt. Swing. Als adres van Ned Ludd werd bijna altijd Robin Hoods Cave in Sherwood Forest opgegeven. 

Nottingham Luddites

De Nottingham Luddites waren meer een traditionele vakorganisatie, die zich richtte op een directe belangenbehartiging van de arbeider en op bescherming van de handel waarin hij werkzaam was. Hun organisatie was strak en goed opgezet. Hun acties richtten zich o.a. op loonsbehoud via de invoering van een minimumloon.

Een ander actiedoel, dat later centraal kwam te staan, was de zogenaamde “cut-ups”. “Cut-ups” was de term die gebruikt werd om geproduceerde goederen aan te duiden die onder een per product vastgestelde prijs werden gefabriceerd. Deze cut-up goederen betroffen slechte kwaliteit goederen, maar ook goederen die door onderbetaalden, zoals vrouwen of leerjongens, werden gefabriceerd. De Nottingham Luddites gaven regelmatig loonlijsten uit welke dienden als richtlijn. 

Producenten die zich niet aan deze voorschriften hielden, konden bezoek verwachten, waarbij hun machines werden vernield. Aan menig weefgetouw of kousenbreimachine hing een bordje met de volgende tekst: “This frame is making full fashioned work, at the full price”. De meeste bekende leider van de Nottingham Luddites was Jew Towle. Voor zover bekend waren er vier groepen actief in en rond Nottingham. Dat waren Sutton-in-Ashfield, Arnold, Swanwich en Nottingham. 

Yorkshire Luddites

De Yorkshire Luddites ontstonden uit één specifieke beroepsgroep: de croppers of shearmen. Deze croppers stonden het dichtst bij de Ludditische traditie. Zij en de werkgevers wisten dat het werk wat ze deden op den duur geheel door een machine zou worden overgenomen. De gig-mill en de shearingframe beroofden hen van hun middelen van bestaan. Maar niet alleen dat van hen, maar ook de werkgevers gingen er aan, omdat ook hun werkplaatsen overbodig werden. In het begin was de textielindustrie een typische huisindustrie, maar door de uitvindingen van Arkwright en de uitvinding en ingebruikneming van de stoommachine bij het aandrijven van weefgetouwen werd de textielindustrie van agrarische huisindustrie een stadse grootindustrie.

De kleine zelfstandige handswerkman had in de jaren van 1776 tot 1810 het loodje gelegd, behalve de croppers. Hun werk was door de hoge kwaliteitseisen, welke aan hun werk werd gesteld, in handen gebleven van zogenaamde “shearing-shops”, kleine werkplaatsen van hooguit vijf arbeiders. Het gebruik was dat het croppersloon lag op circa 5 % van de waarde van de behandelde textiel. Zij waren de afwerkers van de geweefde stoffen. Hun werk en de kwaliteit ervan had een enorme invloed op de uiteindelijke waarde van de bewerkte textiel. Door de organisatie van hun werk en de hoogte van hun beloning, waren zij relatief goed geschoold en enorm solidair met elkaar. Hun aanvallen werden goed voorbereid en uitgevoerd door groepen mannen, die afkomstig waren uit diverse plaatsen. Zo ontstond een sterke organisatie. Hun generaal Ludd was George Mellor. Deze voerde de navolgende eed van de broederschap in, die aan hem werd afgelegd, daarbij de hand nemend van de afleggers:

“Hoe is Uw naam? ”.

“ X “.

“Bent U bereid lid te worden van onze gemeenschap en zonder voorbehoud en vragen U te onderwerpen aan de bevelen van Generaal Ludd?”.

“Ja, dat ben ik”. 

“Zeg mij dan na: Ik, X, uit eigen vrije wil, verklaar plechtig dat ik nooit aan enige persoon onder het hemelgewelf de namen bekend zal maken van diegenen die dit geheime genootschap vormen, noch hun bevindingen, vergaderingen, verblijfplaats, kleding, uiterlijk, aanzien of enig ander gegeven dat zou kunnen leiden tot ontmaskering van die persoon, noch in woord, daad of teken, op straffe des doods door de eerste broeder die me zal tegenkomen. En ik verklaar verder mij tot het uiterste te zullen inspannen om een of meer verraders, mochten die onder ons opstaan, met de dood te straffen waar ik hen ook mag vinden en mocht hij naar de grenzen van natuur vluchten, ik zal hem vervolgen in onophoudelijke wraak. Hierbij helpe mij God en zegen mij om deze eed ongeschonden te houden.”.

De Nottingham Luddites richtten hun acties vrijwel uitsluitend op de hen bedreigende machines. Zij trachtten invoering van deze machines te beletten. Hun acties hebben er toe geleid dat de gig-mill en de shearing-frames slechts zeer langzaam werden ingevoerd, maar na circa twintig jaren was toch ook hun beroep verdwenen. 

Lanchashire/Cheshire Luddites

De Lanchashire/Cheshire Luddites waren niet hecht georganiseerd. Zij bestonden vooral uit de katoenwevers, die massaal door de invoering van de met stoom aangedreven weefgetouwen werkloos werden. Hun belangrijkste doelen waren de invoering van een minimum loon en de regulering van de handel. Hun acties hadden vaak de vorm van een massaal algemeen protest tegen de erbarmelijke situaties, waarin zij waren terecht gekomen. Voedselrellen en marktroof waren veel georganiseerde activiteiten. Van de Lanchashire/Cheshire Luddites zijn geen leiders met hun echte namen bekend. 

De autoriteiten in die dagen dachten dat de Luddieten een revolutie wilden beginnen op grond van geruchten en informatie, verkregen door betaalde spionnen. Bewijzen hiervoor zijn echter nooit geleverd. De Luddieten voerden meer een actie tegen de samenleving dan tegen de Staat. In die samenleving wensten zij meer sociale waarden. Winst alleen was voor hen geen rechtvaardiging tot hetgeen er gebeurde. Voor hen was het niet langer zo dat wat goed was voor de één, ook goed was voor de maatschappij. Zij vonden dat de maatschappij als geheel nut moest hebben van machines. Voor hen waren de rellen, de opstand en het vernielen van machines een collectieve onderhandeling met de in machines investerende werkgevers en de Overheid.

De Luddieten wilden duidelijk maken dat er een stem is van de uitgestoten werkman, die eist gehoord te worden en welke duidelijk wilde maken dat er een alternatief was voor die economie. 

Hun motivatie was groot. Zij vernielden duizenden machines. Dit gebeurde vrijwel altijd met hetzelfde gereedschap: een hamer en onder de kreet: “Enoch made them, Enoch shall break them”.

Wat wilde namelijk het geval? Zowel de hamers die sloopten, als de machines die gesloopt werden, waren vrijwel altijd gemaakt door dezelfde smid: Enoch Taylor van Marsden.

Wat hen motiveerden en hun solidariteit blijkt het best uit hun liederen en gedichten. Hier enkele daarvan. 

“Every man his skill must try

He must turn out dan nog deny

No bloody soldier must he dread

He must turn out and fight for bread

The time is come, you plainly see

That government opposed must be.”     1)

 

“You Heroes of England who wish to have a trade

Be true to each other and be not afraid

Though the Bayonet is fixed they can do no good

As long as we keep up the Rules of General Ludd.

 

As we have begun we are like to proceed

Till from all those Tyrants we do get freed

For this heavy yoke no longer can we bear

And those who have not felt it ought to have a share.

 

And then they can feel for another’s woe

For he that never knew sorrow, sorrow doth not know

But there is Cartwright and Atkinson also

And to show them justice sorrow they shall know.

 

Though he does boast of the deeds he has done

Uet out of our presence like a thief he does run

It is the laws of England to stand in our defence

If he comes in our presence hem we’ll recompence.”    2)

 

“How gloomy and dark is the day

When men have to fight for their bread;

Some judgment will sure clear the way

And the poor shall to triumph be led.”.             2)

 

“Come all ye croppers stout and bold

Let your faith grow stronger still

Oh, the cropper lads in the country of York

Broke the shears at Forster’s mill.

The wind it blew

The sparks they flew

Which alarmed the town full soon

And out of bed poor people did creep

And ran by the light of the moon

Around and around they all did stand

Ad solemnly did swear

Neither bucket, nor kit nor any such thing

Should be of assistance there.”.               3)

 

“And night by night when all is still

And the moon is hid behind the hill

We forward march to do our will

With hatchet, pike and gun!

Oh, the cropper lads for me

The gallant lads for me

Who with lusty stroke

The shear frames broke

The cropper lads for me!

 

Great Enoch still shall lead the van

Stop him who dare! Stop him who can!

Press forward every gallant man

With hatchet, pike and gun!

Oh, the cropper lads for me…..”.                3)

 

Tot slot het lied General Ludd’s Triumph (op de melodie van “Poor Jack”):

 

“Chant no more your old rhymes about bold Robin Hood

His feats I but little admire

I will sing the achivements of General Ludd

Now the hero of Nottinghamshire . . .

 

Now by force unsubdued and by threats undismay’d

Death itself can’t his ardour repress

The presence of armies can’t make him afraid

Nor impede his career of success

Whilst the news of his conquests is spread far and near

How his Enemies take the alarm

His courage, his fortitude strikes them with fear

For they dread his Omnipotent Arm . . .

 

The quilty may fear but no vengeance he aims

At the honest man’s life of Estate

His wrath is entirely confined to wide frames

And to those that old prices abate.

These Engines of mischief were sentenced to die

By unanimoes vote of the Trade

And Ludd who can all opposition defy

Was the Grand executioner made.

 

And when in the work of destruction employed

He himself to no method confines

By fire and by water het gets them destroyed

For the Elements aid his designs.

Whether guarded by Soldiers along the Highway

Or closely secured in the room

He shivers them up both by night and by day

And nothing can soften their doom.

 

He may censure great Ludd’s disrespect for the Laws

Who ne’er for a moment reflects

That foul Imposition alone was the cause

Which produced these unhappy effects.

 

Let the haughty no longer the humble oppress

 Then shall Ludd sheath his conquering sword

His grievances instantly meet with redress

The peace will be quickly restored.

 

Let the wise and the great lend their aid and advice

Not e’er their assistance withdraw

Till full-fashioned work at the old fashioned price

Is established by Custom and Law.

Then the trade whin this arduous contest is o’er

Shall raise in full splendour its head

And colting and cutting and squaring no more

Shall deprive honest workmen of bread.”.              4)

 

1) Vermoedelijk van Brandreth

2) Schrijver onbekend

3)   Schrijver onbekend, strijdlied van Yorkshire Luddites

4) Schrijver onbekend, het lid is mogelijk niet geheel compleet

 

4.      DE GESCHIEDENIS DER LUDDIETEN 

De geschiedenis der Luddieten is de geschiedenis van het verzet tegen de machine, die gebruikt wordt om de mens te vervangen. In voorgaande hoofdstukken zijn de doelstellingen, de organisatie en de ontstaansomstandigheden geschetst van het Luddisme. Algemeen worden de rellen en vernielingen van 11 maart 1811 in Nottinghamshire als startpunt genomen van de Ludditische acties, die onder de leuze “Till ful fashioned work at the old fashioned price is established by Custom and Law” als vakbondsacties werden gevoerd. Onder de mannen die de fabrieken overvielen bevonden zich wel gewapende lieden, maar de acties verliepen veelal vreedzaam.  Als voorbeeld een bericht uit The Times van 31 januari 1812:

“At Basford (on Sunday evening), while three soldiers were in the house of one William Barns, to protect three frames, a party of Luddites entered the house and immediately confined the soldiers; and while two of the party stood sentry at the door with the soldiers’ muskets, others demolished the frames; and when the mischief was done, the muskets were discharged and the soldiers liberated, the depredators wishing them a good night.”. 

In de periode maart 1811 tot februari 1812 werden alleen al in Nottinghamshire meer dan duizend machines vernield. In november 1811 verflauwden de vernielingen in Nottinghamshire omdat de magistratuur grote hoeveelheden soldaten en agenten inzette, die veelal uit andere districten kwamen. Omstreeks die tijd begonnen ook de Ludditische acties in Derbyshire en Leicestershire, die een soortgelijk karakter hadden als die in Nottinghamshire. In december 1811 kwamen naar de genoemde roerige districten grote hoeveelheden cavalerieën en infanterie-eenheden onder leiding van officieren met een nationale faam. De overheid stond vrijwel alleen. Alleen de fabriekseigenaren boden hulp. De bevolking stond achter de Luddieten en steunde hen. Hierdoor waren ze moeilijk te pakken en veroordeling was vrijwel onmogelijk wegens gebrek aan bewijzen en getuigen.

In geval van arrestatie werden rechters, politiebeambten en jury bedreigd en vaak zelfs vermoord. Dit leidde er zelfs toe dat de stad Newark werd aangewezen tot gerechtsstad voor deze zaken in plaats van Nottingham. 

Begin 1812 vielen er steeds meer doden onder de Luddieten, omdat het leger de fabrieken bewaakte. De agressie nam toe. In januari 1812 sloegen de rellen over naar Lancashire, Cheshire en Yorkshire toen duizenden uitgehongerden uit de naburige plaatsen naar de markt van Manchester trokken en stalen waaraan ze het meest behoefte hadden: eten! 

Dit gebeurde in februari in Huddersfield, in maart in Leeds en in april in Horbury, Wakefield, Halifax, Brighouse, Liversedge en in Sheffield.

Bij de voedselrellen in Sheffield op 14 april 1812 werd ook een wapenarsenaal van de Militia onder leiding van een Lady Ludd overvallen en genomen, waarbij echter geen wapens werden gestolen. Nee, ze werden slechts massaal vernietigd onder de leuze “geen wapens, maar brood”.

In deze periode zakte de intensiteit van de Ludditische acties in Nottinghamshire, terwijl de acties in Yorkshire begonnen. De acties in Yorkshire stonden volledig in het licht van de introductie van de gig-mill of shearing machine, welke een complete beroepsgroep, de croppers, werkloos zou maken. De croppers keken echter niet werkloos toe. Ze besloten terug te vechten. De strijd werd aangebonden tegen de fabriekseigenaren, die de shearingmachines installeerden. Twee eigenaren, te weten Mr. Horsfall of Marsden met een fabriek in Huddersfield en William Cartwright met een fabriek in Rawfolds nabij Cleckheaton hadden deze machines vanaf 1808 geïnstalleerd en geperfectioneerd. Vooral door de houding van de eigenaren werden de werkgelegenheid en de lonen sterk bedreigd. Dit culmineerde in 1812 tot de acties van de Longroyd-Bridge-groep.

Op het idee gebracht door de turbulente demonstraties en acties in Nottingham van de kantwerkers en wevers tegen de machines, die hen in hun bestaan bedreigden, ontstond in Huttersfield, in de werkplaats van Jackson, de beweging tegen de nieuwe machines. Het hoofdkwartier der beweging werd gevestigd in de werkplaats van Mr. John Wood, welke gesitueerd was aan de Longroyd-Bridge, nabij Huddersfield.

Veel textielarbeiders kwamen regelmatig naar deze werkplaats om te luisteren en te praten met George Mellor, Mr. Woods’ stiefzoon. Deze las vaak voor uit de Leeds Mercury, welke uitgebreid publiceerde over alle rellen, sabotages en machinevernielingen in Nottingham, Lancashire en andere districten.

Buiten de eigenaar Mr. Wood om, werd het besluit genomen om de gehate machines, welke hen werkloos maakten, te vernietigen. Deze groep zou in Yorkshire de centrale groep worden. De leiders waren George Mellor, James Haigh, John Walker, William Thorpe, John Booth en John Hirst.

Begin april werd na een reeks van overvallen op kleinere fabrieken besloten de fabriek van de gehate Cartwright aan te vallen. Mr. Cartwright was echter niet zoals de meeste andere eigenaren, die lijdzaam toekeken. Hij had zijn fabriek versterkt tot een waar fort. Ter verdediging waren, buiten vier arbeiders, ook twee bewakers en vijf soldaten aanwezig. Circa twee honderd Luddieten verzamelden zich op 11 april 1812 voor de aanval op Mr. Cartwright’s fabriek. Onder hen bevonden zich contingenten uit Horbury, Huddersfield, Halifax en Rawfolds. 

De aanval werd een complete mislukking; deels door de gebrekkige bewapening (wat musketten en hamers van de aanvallers), deels door de manhaftige weerstand van de verdedigers. Eén soldaat echter weigerde op de aanvallers te schieten, omdat hij familieleden en vrienden onder hen vermoedde.

De Luddieten dropen met veel gewonden af. Twee gewonden bleven achter: Hartley stervende en John Booth zeer zwaar gewond. Ook bleven wapens en hamers achter op het gevechtsterrein, die gezien de slechte financiële situatie der genoten onvervangbaar waren. Hartley zweeg tot aan zijn dood. John Booth werd een been, dat verbrijzeld was, afgezet waarna al snel bleek dat ook hij stervende was. Voortdurend werd hij door politie en geestelijken ondervraagd. Het enige wat hij zei tegen een geestelijke was: “Can you keep a secret” en nà: “I can” als antwoord van de geestelijke, vervolgde Booth: “So can I”.

Duizenden stroomden samen om de begrafenissen bij te wonen van de gedode Luddieten. De doden werden echter op last van de autoriteiten in stilte begraven. Het volk riep om bestraffing van de soldaten die wel geschoten hadden. Mellor zwoor wraak en beloofde dat de eigenaren der fabrieken zouden bloeden voor de dood van zijn vrienden. Mellor werd nu na de dood van zijn vrienden en de eerste nederlaag steeds fanatieker. Booth had hem voorheen afgeremd.

Veel gewonden verdwenen tot hun herstel van de aardbodem. Daarna werden er wel wat arrestaties verricht, maar de gearresteerden moesten allemaal weer wegens gebrek aan getuigen en bewijzen worden vrijgelaten. Onder hen was James Haigh, één der leiders. Hij was gewond gearresteerd toen een dokter hem hielp. Ook tegen hem konden geen afdoende bewijzen worden aangevoerd.

Onder leiding van Cartwright en Horsfall gingen nu alle fabriekseigenaren over tot het organiseren van de verdediging van hun eigendommen.

Op 15 april vonden er voedselrellen plaats in Barnsby, Wakefield en Stockport en er vielen vier doden in de rijen der Luddieten bij een aanval op een fabriek van Mr. E. Burton in Middleton. Dit nieuws lezend, besloot Mellor met twaalf anderen dat Cartwright op zaterdag 18 april, de dag van de rechtzaak tegen de soldaat die geweigerd had te schieten op de Luddieten, zou moeten sterven nabij Bradley Wood, als hij terug van de rechtzaak naar huis zou rijden. Er werd om geloot wie de aanslag zou plegen. De soldaat werd in een rechtzaak waarbij hij wederom betoogde dat hij niet kon schieten op een groep waarin hij familie, vrienden en bekenden vermoedde, veroordeeld tot 300 zweepslagen, oftewel de doodstraf door de zweep.

De aanslag die dag op Cartwright mislukte; de daders ontkwamen. De aan de soldaat opgelegde straf werd later voltrokken nabij Cartwright’s fabriek. 

Nà 25 slagen kreeg Cartwright het gedaan dat de bestraffing beëindigd werd. Het publiek huilde. Eén man, een zekere Abraham Jackson, stopte de soldaat die buiten kennis was, een guinea in de hand.

De rellen en ongeregeldheden in Yorkshire waren steeds meer in een geweldspiraal terecht gekomen. Dit was bevorderd doordat Generaal Maitland (die ook de hoge prijzen en lage lonen als hoofdoorzaken zag) was overgegaan op een andere tactiek. Hij had de afgelopen maanden steeds meer de beschikking gekregen over elite-eenheden o.a. the 10th Kings’Bays, the 15th Hussars en the Scots’Greys.

Stuk voor stuk eenheden, welke hun sporen op de slagvelden van Europa hadden verdiend. Deze eenheden, aangevuld met the Yeoman Cavalery, werden in relatief veel kleine groepen op patrouille gestuurd in de oproerige gebieden. De directe verdediging van de werkplaatsen en fabrieken werd losgelaten, omdat dit veel soldaten vergden en de meeste soldaten onbetrouwbaar werden geacht te zijn, gezien de grote hoeveelheid overvallen die zonder gevechten verliepen. De gedachte was dat de Luddieten, die zich groepeerden voor een overval, nu snel ontdekt zouden worden en dan sneller en beter gearresteerd of uitgeschakeld konden worden. Deze tactiek bleek weinig succesvol. De Luddieten wisten met behulp van het volk de patrouilles te misleiden en/of te vermijden.

Toen de fabriekseigenaren besloten zelf de verdediging ter hand te nemen, besloot Generaal Maitland toch weer terug te keren tot het oorspronkelijke recept met dien verstande dat de lokale militia nu aangevuld en gecontroleerd werden door de toegevoegde elite-eenheden. Nu het geweld toenam, begonnen de Luddieten zich te bewapenen en zich te oefenen. Alleen al in april werden grote wapendiefstallen gepleegd in: Almondbury, Wooldale, Melton, Marsden, Elland en Honley. 

Op een bespreking van de leiders werd op 28 april besloten dat Horsfall moest worden vermoord, welke besluit nog diezelfde dag in daden werd omgezet door Mellor en enkele gezellen. Het slachtoffer werd van zijn paard geschoten vanuit een hinderlaag en overleed enkele uren later. Nà deze moord begon langzaam maar zeker de sympathie van het volk voor de mannen en hun zaak te wijken, de middelen waren niet meer de juiste.

Op 12 mei 1812 diende in het House of Commons (de Engelse Tweede Kamer) een Wet, die regelde dat ook op het afleggen van een onwettige eed, de doodstraf kwam te staan. Toen de eerste Minister Perceval het House of Commons die dag betrad om de behandeling van die Wet bij te wonen, werd hij in de lobby, welke zich bevond tussen het House of Commons en de kapel St. Stephen, vermoord door een man die John Bellingham bleek te heten. 

De man die verantwoordelijk was voor de Wet die de doodstraf zetten op het vernielen van een machine en die ook de doodstraf wilde zetten op het plegen van een zogenaamde onwettige eed, was dood. Toen de dood van Spencer Perceval in Nottingham bekend werd, verzamelde zich een immense menigte, die met groot gejuich en onder tromgeroffel met vlaggen een parade hield, waar het immense koor het ene Ludditische strijdlied na het andere ten beste gaf.

Een ieder verdacht de Luddieten van deze daad. De dader, John Bellingham, bleek na zijn arrestatie, die hij in de kapel rustig had afgewacht, wel te sympathiseren met de Luddieten, maar er feitelijk niets mee te maken te hebben. 

In mei bloedden de rellen in Lancashire en Cheshire letterlijk en figuurlijk dood en waren er onder de voedselplunderaars veel arrestaties verricht. 

In juni vonden met name in Yorkshire zeer veel overvallen op wapenopslagplaatsen plaats, niet meer om wapens te vernietigen, maar om ze te stelen. Ook werd er veel op het platteland mee geoefend, vooral na middernacht en op zaterdag.

Veel loden vaten, platen, pijpen, enz. werden gestolen om er kogels van te gieten. Alom nam de angst onder de autoriteiten toe dat er een algemene opstand werd voorbereid. Deze opstand kwam echter niet. Wat wel kwam was de arrestatie der Yorkshire leiders en hun berechting.  

5.      DE JUSTITIE EN HET LUDDISME 

In 1812 nam het parlement een Wet aan, die door de regering onder leiding van eerste Minister Perceval was voorgedragen. In deze Wet werd op het vernielen van een machine de doodstraf gesteld. Bij de behandeling van deze Wet in het House of Lords vroeg de dichter Lord George Noël Gorden Byron (1788-1824) op 27 februari het woord. Dit was iets bijzonders, in aanmerking nemende dat deze Lord in de vijf jaren dat hij deel uitmaakte van dit House slechts driemaal het woord vroeg.

Zijn woorden, de woorden van een welgesteld man in een land dat reeds achttien jaren in oorlog was met het Jacobijnse Frankrijk over een in zijn grond Jacobijnse arbeidersbeweging, welke tot doel had de lotsverbetering van de arbeider en de verbetering van zijn constitutionele rechtspositie middels stemrecht, maakte grote indruk op de leden van de Ludditische beweging. Deze woorden van begrip en toewijding voor een gerechtvaardigde zaak vonden echter geen gehoor in het parlement. Lord Byron’s Maiden speech luidde als volgt: 

Mijne Heren

Het onderwerp dat UEdelen nu voor de eerste maal wordt voorgelegd is, alhoewel nieuw voor dit Huis, geenszins nieuw voor het land. Ik geloof dat het de serieuze gedachten beheerst heeft van alle mensen, lang voor zijn introductie bij de wetgevende macht, wiens bemoeienis alleen van werkelijk nut kan zijn indien dit onderwerp besproken wordt door lieden die tot op zekere hoogte verbonden zijn met dit noodlijdende land.

Alhoewel ik een vreemdeling ben, niet alleen voor dit Huis in het algemeen, maar bijna voor ieder individu wiens aandacht ik nu tracht te trekken, moet ik aanspraak maken op Uw goedgunstigheid, terwijl ik een paar gedachten offreer over dit onderwerp, waarin ikzelf bijzonder geïnteresseerd ben.

Het zou overbodig zijn, om in enige detail te treden inzake de te bestraffen buitensporigheden. De Kamer is reeds op de hoogte van de plaatsgevonden buitensporigheden, alsmede van het vloeien van bloed. Het is bekend dat de eigenaren van de bedrijven, gehaat door de oproerlingen, zijn en waren blootgesteld aan beledigingen en geweld.

Tijdens de korte periode die ik onlangs in Nottingham verbleef, ging er geen dag voorbij zonder nieuwe daden van geweld. Op de dag dat ik de streek verliet, werd ik ervan verwittigd dat er de vorige avond 40 bedrijven waren vernield, zoals gewoonlijk zonder ondervonden verzet en zonder betrapping. Zulks was en is nog de toestand in die graafschappen.

Maar terwijl moet worden toegegeven dat deze gewelddadigheden tot een alarmerende hoogte zijn gerezen, kan niet worden ontkend dat deze zijn voortgekomen uit omstandigheden, welke bestaan uit de grootst mogelijke ellende. De volharding van deze miserabele mensen in hun daden, toont aan dat niets dan onvoorwaardelijk wil, een eens eerlijke en nijverige bevolkingsgroep, gedreven heeft tot een opeenvolging van uitspattingen, die zo ontzettend gevaarlijk zijn voor henzelf, hun families en de gemeenschap.

Ten tijde van deze daden waren de stad en het land overspoeld met grote detachementen militairen. De politie en de magistraten waren in paraatheid. Al deze voorzorgsmaatregelen, zowel burgerlijk als militair, hebben tot niets geleid. Bij al deze daden is niet één persoon betrapt of in hechtenis genomen, waar tegen wettelijke bewijzen bestonden die voldoende waren om te komen tot een veroordeling. Maar de politie, hoe onbruikbaar ook, stond er in geen geval werkloos bij, diverse schuldigen werden gearresteerd. Mannen schuldig bevonden aan de grootste misdaad die onze wereld kent: armoede! Mannen die goddeloos schuldig zijn aan het wettig verwekken van kinderen, die zij – dankzij de tijd – niet kunnen onderhouden. Mannen die de eigenaren van de nieuwe machines onrecht hadden aangedaan, door deze machines, welke grotere winsten opleverden voor de eigenaren en die de arbeiders slechts werkloos maakten en daarmee tot sterven veroordeelden, te vernielen.

Bij de ingebruikname van deze machines deed één man het werk van velen, de overbodige werknemers werden ontslagen. Het is evenwel op te merken dat het op dusdanige wijze uitgevoerde werk minderwaardig van kwaliteit was, niet te verkopen op de thuismarkt en slechts matig geschikt voor de export.

De afgewezen arbeiders, blind in hun onwetendheid, in plaats van blij te zijn met deze “verbeteringen” in nijverheid, en o zo “nuttig” voor de mensheid, dachten dat ze opgeofferd werden aan mechanische verbeteringen.

In de domheid van hun harten dachten ze dat de instandhouding van de werkende armen van groter belang was, dan de verrijking van een paar individuen, die door enige verbeteringen van handelswerktuigen de arbeider zijn loon en bestaan ontnamen. Ja, het moet worden toegegeven: de machines zijn een zege voor het land en de werkgever; ze zorgen er voor dat de onwaardige arbeiders sterven en de gefabriceerde goederen wegens gebrek aan kopers rotten in de magazijnen en de vraag naar werk, producten en arbeiders gelijkelijk verminderd.

Edelen, delen van deze beschrijving neigen naar verergering van de ellende en ontevredenheid van de slachtoffers, maar de echte oorzaak van het ongenoegen ligt dieper.

Als we elkaar vertellen dat deze mensen met elkaar verbonden door de armoede, door de vernietiging van de productiemiddelen hun eigen comfort te niet doen, vergeten we dan niet de bittere politiek van bezuinigingen en belastingverhogingen ten nutte van de vernietigende oorlogsstrijd van de laatste 18 jaren, die hun comfort, Uw comfort en het comfort van iedereen heeft te niet gedaan.

De politiek afkomstig van “grote staatslieden die er niet meer zijn”, heeft de doden overleefd om een vloek te worden voor de levenden en dit tot aan de derde en vierde generatie. Deze mensen hadden nooit ook maar één machine vernietigd, indien deze hen niet onbruikbaar – erger nog dan onbruikbaar – had gemaakt. Zij kwamen pas tot hun daden nadat de machine een werkelijke belemmering was geworden bij het verkrijgen van hun dagelijks brood. Kunt U dan verbaasd zijn dat in deze tijd, waarin zaken als bankroet, bedrog, misdaad en diefstal gevonden worden op posities die niet ver van de Uwe verwijderd zijn, de laagsten, doch eens meest bruikbare delen van onze bevolking, in bittere ellende hun plicht vergeten. Zijn zij dan meer schuldig dan hun vertegenwoordigers?

Terwijl de gegoeden nieuwe wegen kunnen vinden om ge- of misbruik van de wetten te maken, moet nu weer een nieuwe wetsovertreding toegevoegd worden aan de lijst van halsmisdrijven, nieuwe wegen naar de galg worden gelegd, om recht te doen aan de wanhopige daden der radeloze werklozen. Deze mannen zijn willig om te graven, maar de spade is in de hand van een ander. Deze mannen zijn niet te beschaamd om te bedelen, maar er is niemand die hen iets geeft. Alle middelen van bestaan zijn hen ontnomen, alle banen zijn bezet. Hun daden, hoe zeer ook afkeurenswaardig, kunnen nauwelijks verrassend genoemd worden.

Het is geconstateerd dat personen, die in het tijdelijke bezit waren van machines, aanmoedigden tot de vernieling van deze machines. Als zulk gedrag bij een onderzoek wordt bewezen, is het dienstig en van het grootste belang, om tot een rechtvaardige beoordeling te komen en dat dit gegeven betrokken wordt bij de veroordeling van een beklaagde welke terecht staat op beschuldiging van het vernielen van deze machines.

Ik hoop dat u geachte Edelen bij de beoordeling van de door Zijne Majesteits regering voorgestelde maatregel, betrekt het gegeven van de omstandigheden waaronder de gebeurtenissen, waarvoor nu voorgesteld wordt de doodstraf in te voeren, plaatsvinden, zodat het straks niet de gewoonte wordt, geblinddoekt voor het vernielen van machines, doodvonnissen vast te stellen.

Maar, verklarend dat deze mannen geen rede tot klagen hebben, en dat ze de zwaarste straf verdienen, moeten wij bedenken hoe inefficiënt en imbeciel de methoden waren om dit te voorkomen. Waarom werden de militairen de straat opgestuurd? Om te marcheren? Als ze al de straat op werden gestuurd.

Voor zover de seizoenen het toelieten was alles een parodie op de zomercampagne van Majoor Sturgeon; inderdaad de hele procedure civiel en militair, lijkt op het model geënt te zijn van de Majoor in samenwerking met Garratt. Zulke marsen van hot naar her! Van Nottingham naar Bullwell; van Bullwell naar Banford; van Banford naar Mansfield! En als eindelijk de detachementen arriveerden op hun bestemming in al hun glorie en fierheid, kwamen ze precies op tijd om waar te nemen wat was gebeurd en dat de daders waren ontkomen. Voor de terugkeer naar hun kwartieren konden ze de brokstukken van de machines bijeenrapen, om daarna onder hoongelach van kinderen en vrouwen af te druipen.

Het zou voor een vrij land wenselijk zijn als er niet zo’n groot leger nodig was, maar ik kan zeker niet begrijpen, waarom dit leger geplaatst wordt in situaties waarin het zich slechts belachelijk kan maken. Als het zwaard het slechtste argument is dat gebruikt kan worden, dient het slechts als laatste gebruikt te worden. Op dit moment was de inzet van het leger het slechts denkbare. Er hadden behoorlijke bijeenkomsten georganiseerd moeten worden in de begindagen van de rellen, waarbij naar de grieven van de arbeiders en naar de grieven van de werkgevers (indien zij ze hadden) geluisterd had kunnen worden.

Ik ben van mening, dat indien deze grieven op een juiste en rechtvaardige manier waren behandeld, voorkomen had kunnen worden wat nu is gebeurd; dit alles was geweest in het belang van het land. Nu gaat het land gebukt onder een duur en veel te groot leger en een van honger stervende bevolking. In welk een staat van apathie zijn we geleid, dat nu pas voor het eerst in dit Huis gediscussieerd wordt over het oproer.

Dit alles is gebeurd in een straal van minder dan 130 mijl van Londen en nu denken wij, goed en gemakzuchtig zoals we zijn, midden in het feest zittend van onze overzeese triomf, dat we onze binnenlandse problemen kunnen regelen met een simpele geseling van de “schuldigen”. Maar alle landen en steden die we hebben genomen, al de legers die in het aangezicht van onze leiders hebben gecapituleerd maken ons niet tot overwinnaars als we nu de dragonders en beulen los moeten laten op onze eigen landgenoten. 

U noemt deze mensen een massa, desperaat, gevaarlijk en intolerant. U denkt dat het afhakken van hoofden de enige weg is om deze “Bellua Multurum Capitum” tot zwijgen te brengen. Maar zelfs een massa kan beter gekalmeerd en verspreid worden met een mengsel van rede, begrip en kracht, dan met het verhogen van de straffen en het uitspreken en voltrekken van doodvonnissen.

Zijn wij ons bewust van onze verplichtingen aan de massa?

Het is de massa die werkt op Uw landerijen. Het is de massa, die dient in Uw huizen. Het is de massa, die Uw vloot bemant. Het is de massa, die het leger vormde wat Uw overwinningen behaalde en de wereld onderwierp. Maar bedenkt: het kan ook U onderwerpen als U doorgaat hun noden en behoeften te miskennen en hen daarmee drijft in totale armoede. U mag het volk een massa noemen, maar vergeet dan niet dat de massa vaak de spreekbuis is van het volk.

Ik moet opmerken dat de snelheid en de middelen waarmee U Uw bedreigde bondgenoten te hulp komt van een andere orde is dan de hulp, die U biedt aan de oproerige gebieden. Toen de Portugezen gebukt gingen onder het Franse juk, werd iedere arm uitgestoken, iedere hand werd geopend, van de rijken, maar ook van de arme weduwe; alles werd gedaan om hun dorpen te bevrijden en te herbouwen, om hun landerijen weer in cultuur te brengen, alles kon, alles was mogelijk. En nu op dit moment, nu duizenden arme landgenoten hun strijd leveren om een eind te maken aan de honger die hun gezinnen ten gronde richt, zou Uw goedgeefsheid welke begon overzee, moeten eindigen in Uw eigen land.

Een veel kleinere som, dan besteed aan Portugal is nodig om hen te brengen tot betere omstandigheden. Al wat ze niet nodig hebben brengt U tot ze: sabels en bajonetten.

Maar ongetwijfeld hebben onze “vrienden” buitenlandse zaken die belangrijker zijn dan binnenlandse hulpverlening, maar nog nooit heb ik een zaak gezien die meer aandacht eiste. Ik heb de gevechtsplaatsen gezien in de Peninsula. Ik ben geweest in de meest onderdrukte provincies van Turkije, maar nog nooit heb ik meer aan ellende gezien, zelfs onder de meest despotische en infantiele regeringen, dan wat ik gezien heb in het hart van dit christelijke land. En wat zijn Uw remedies?

Na maanden van inactiviteit en na maanden van activiteiten, welke erger waren dan inactiviteiten, komen van deze regering uiteindelijk de meest prachtige, grootse en nooit falende voorstellen, een duivel waardig. Na het voelen van de pols en het schudden van het hoofd over de toestand van de patiënt komt men niet verder dan het al oude aderlaten, politie en lansiers. Het eind van deze politiek laat zich raden: bloed, dood en nog meer ellende.

Denkend over het onrecht en de inefficiëntie van dit wetsvoorstel komt de vraag op of onze wetten alleen gehandhaafd kunnen worden met de doodstraf. Kleeft er nog niet genoeg bloed aan de beulshanden waarvoor U straks aan de hemelpoort verantwoording verschuldigd bent?

Hoe wilt U straks dit wetsvoorstel effectueren? Kunt U een heel land in de gevangenis stoppen?

Wilt U op iedere heuvel een galg plaatsen? Of wilt U met deze wet het volk decimeren? Veegt U Sherwood Forest schoon met de lansiers voor de kroon? Zijn dit Uw oplossingen voor een hongerend volk? Is de dood de oplossing en als hij het is, omarmt U hem dan? Wat de dragonders en grenadiers niet konden, moet de beul dat nu gaan doen?

Als U wilt werken met de wetten, wat wordt dan Uw bewijs? Het is immers niet te verwachten dat diegenen, die niet wenste te getuigen toen deportatie de straf was, dit straks met de dood als straf, wel zullen doen. Wanneer een wet alleen gemaakt wordt om Uw gemoed te bevrijden, als reactie op Uw eigen besluiteloosheid, moet dat dan met een doodstrafinstelling op een misdrijf waarvan de omstandigheden niet of nauwelijks zijn onderzocht?

Als deze wet passeert  zal, met wat ik weet en wat ik gezien heb in gedachten, deze wet een groot onrecht en een niet te negeren barbaarsheid zijn. De opstellers van zulk een wet, zijn vast trots dat hun de eer ten deel valt de erfgenamen te zijn van de Atheense wetgevers, wier wetten niet met inkt maar met bloed geschreven werden.

Maar laten we veronderstellen dat de wet passeert en dat één van die mannen – zoals ik ze gezien heb: mager, wanhopig, desperaat en vervuld van haat, roekeloos met zijn leven hetwelk volgens UEdelen minder waard is dan de prijs van een machine; deze man omringd door de kinderen, die hij niet meer in staat is te voeden en die in hun bestaan volkomen van hem afhankelijk zijn; deze man die werkzaam was in een vredige welvarende industrie; deze man die buiten zijn schuld niet meer in staat is om in het onderhoud van hemzelf en zijn gezin te voorzien (en beseft: er zijn tienduizenden van deze mannen waaruit U Uw slachtoffers kunt selecteren) – voor het plegen van deze nieuwe misdaad voor het gerecht gesleept wordt, dan zijn er twee dingen nodig om hem te veroordelen en dat zijn naar mijn mening twaalf slagers als jury en een beul als rechter”. 

Ja, Byron was met zovelen van mening dat deze wet de honden loslieten op de hongerende massa! 

Na het bekend worden van de aanname van de wet zong het publiek in de straten van Nottingham en Leeds: 

“Welcome Ned Ludd, your case is good

Make Perceval your aim

For by this Bill, ‘t is understood

Its death to break a frame

 

With dexterous skill, the Hosier’s kill

For they are quite as bas

And die you must, by te late Bill

Go on my bonny lad!

 

You might as well be hung for death

As breaking a machine

So now my lad, your sword unsheath

And make it sharp and keen

 

We are already now your cause to join

Whenever you may call

So maken foul blood, run clear and fine

Of tyrants great and small!

 

Deface this who dare

They shall have tyrants fare

For Ned is every where

And can see and hear.                1)

 

Tot de eerste doodvonnissen kwam het eind mei: twee in Chester en acht in Lancaster. De bestuurders beproefden allerlei methoden om de geheimzinnige snelgroeiende organisatie te vernietigen. Zo werden ook spionnen ingezet ter infiltratie. De eerste waren een Ier, Mr. John Mc’ Donald, een oud wever en een zekere Gossling een failliete werkplaatseigenaar. Ze werkten in opdracht van een in die tijd beroemd speurder, de heer Nadir uit Manchester. Deze spionnen zorgden in juli 1812 voor de arrestatie van Baines en zijn twee zonen en van William Blakeborough en George Duckworth.

De bestuurders bemerkten dat de sympathie van het volk voor de beweging nà de moord op Mr. Horsfall tanende was. Dit beseffende poogden de bestuurders door beloningen en gratiegaranties meer getuigenissen te verzamelen tegen leden en leiders van de beweging.

Benjamin Walker, één van de vier daders van de moord op Mr. Horsfall bezweek voor de prijzen en garanties. Zijn moeder bedong in een gesprek, dat leidde tot een afspraak met de magistraat Mr. Radcliffe van Huddersfield, een beloning van

£2.000,– en gratie door het veerraad van zijn drie mededaders: George Mellor, William Thorpe en Thomas Smith. 

Nà Walkers verraad volgden er meer. Eén van hen was William Hall. Hij verraadde negen van zijn kameraden. De arrestaties volgden snel, voor hete einde van 1812 werden 64 personen opgesloten, die betrokken waren bij het oproer in de West-Riding. 

De zaak tegen de moordenaars van Mr. Horsfall

Op woensdag 6 januari 1813 vond te York de berechting plaats van de drie gearresteerden, die van de moord op Mr. Horsfall werden beschuldigd. Benjamin Walker en William Hall’s verradersgetuigenissen bezegelden het lot van deze mannen, die geen haar slechter waren dan zijzelf. Ondanks een tiental getuigenissen van burgers, die alibiverklaringen aflegden ten voordele van de drie beklaagden, had de jury slechts 25 minuten nodig om tot een unanieme uitspraak te komen inzake de drie verdachten: schuldig!

Rechter Sir Simon Le Blanc sprak het doodvonnis door ophanging uit. De drie verdachten, George Mellor, William Thorpe en Thomas Smith, behielden de zelfcontrole die ze gedurende de twaalf uren van dit proces hadden uitgestraald, ook bij deze uitspraak: geen traan, geen enkel blijk van spijt, met fierheid en onbewogen vernamen ze het vonnis.

Op vrijdag 8 januari 1813 om 9.00 uur werd het vonnis vlakbij het slot te York voltrokken. De oudste van de drie was 23 jaren oud. Het publiek was vele malen groter in aantal dan gebruikelijk bij een hanging en zag, omringd door cavalerie en infanterie-eenheden, de voltrekking in doodse stilte aan. Met de dood van Mellor stierf het actieve Luddisme in Yorkshire. 

De zaak tegen de onwettige eedafleggers

Op vrijdag 8 januari 1913 stonden op beschuldiging van het afleggen van een onwettige eed terecht:

John Baines                    (66)

John Baines Jr                (34)

Zachary Baines               (15)

Carles Milnes                 (22)

William Blakeborough     (22)

George Duckworth          (23)

Ze waren aangegeven door John Mc. Donald.

Ondanks dat alle getuigen, op John Mc. Donald na, getuigden dat op de door de Rechtbank aangegeven tijdstip van eedaflegging de verdachten op andere plaatsen aanwezig waren, dan de verrader aangaf, als zijnde de plaats en tijd der aflegging van de onwettige eed, werd John Baines Sr. schuldig bevonden aan het afleggen van een onwettige eed. 

John Baines Jr., Charles Milnes, William Blakeborough en George Duckworth werden schuldig bevonden aan het als getuigen functioneren bij een onwettige eedaflegging. Zachary Baines werd vrijgesproken.

In zijn oordeel betrok de rechter dat deelnemers aan het Ludditisch genootschap aan allerlei illegale activiteiten hadden deelgenomen zoals verstoring van de openbare orde, berovingen, inbraken, vernielingen, sabotage en moord met als doel het omvergooien van het gezag in het onderhavig gebied. Zij werden door Rechter Le Blanc veroordeeld tot deportatie naar een overzees gebied voor een periode van zeven jaren. 

De zaak tegen de wapeninzamelaars

Ook op 8 januari 1813 stonden terecht Job Hey, John Hill en William Hartley wegens hun aandeel in de oproer in de West-Riding, omvattende vernielingen, inbraak en afpersing ter verkrijging van wapens. Naar bleek klopte men ’s nachts op de deuren van huizen waar men wapens vermoedde, hierbij alle uitgangen onder schot houdend. Indien er geopend werd zei men onder bedreiging met de dood: “Your arms!  Your arms! General Ludd, my master, has sent me for the arms you have”.  Zonder dat de jury zich terugtrok, werden deze verdachten op de getuigenis van één man, John Tillotson, schuldig bevonden en de volgende dag door rechter Le Blanc ter dood veroordeeld wegens de wederrechtelijke toe-eigening van de wapens.

Het publiek zong na de uitspraak: 

“Facts are seditious things

When the touch courts and Kings

Armies are rais’d

Barracks and bastilles built

Innocence charged with guilt

Blood most unjustly spilt

Gods stand amaz’d                           2)

 

Op zaterdag 9 januari 1813 kwamen

James Haigh          (27)

Jonathan Dean       (28)

John Ogden          (28)

James Brook         (26)

John Brook           (22)

Thomas Brook      (32)

John Walker          (31)

John Hirst             (28)

voor met de aanklacht dat zij samen met George Mellor, William Thorpe, Thomas Smith en 100 anderen, die de rechtbank nog onbekend waren, op 11 april 1812 de overval hadden gepleegd op Cartwrights fabriek te Rawfolds. De verrader Benjamin Walker was ook bij dit proces de hoofdgetuige. Hijzelf had bij deze overval een belangrijke rol gespeeld. Vele getuigen werden ook nu door de verdediging aangevoerd, die de gedaagden een alibi verschaften. Rechter Le Blanc legde aan de jury uit dat bij een statuut van Koning George III het vernielen van een fabriek een halsmisdaad was en hij vroeg de jury zeer zorgvuldig hun oordeel af te weten.

De jury moest zich uitspreken:

a)     of er sprake was van een poging tot het vernielen van de fabriek en

b)    of de verdachten aanwezig waren bij de aanval op de fabriek.

Na minder dan één uur beraad verklaarde de jury James Haigh, Jonathan Dean, John Ogden, Thomas Brook en John Walker schuldig aan een gewapende overval met al doel totale vernietiging van de fabriek van Mr. Cartwright. De jury’s namen meestal kennis van de alibigetuigen, maar nam de getuigenissen maar zelden mee in hun oordeel. Ze werden vrijwel altijd gezien als misleiding van de rechtbank. Bij deze zaak echter waren de alibigetuigenissen voor James en John Brook en John Hirst zo massaal dat de jury met betrekking tot het tot het oordeel kwam: onschuldig!

Op 12 januari 1813 werden de vijf schuldig bevonden door rechter Le Blanc en tot de dood door ophanging veroordeeld. In het vonnis vermeldde de rechter dat de straf anderen tot waarschuwing moest dienen, zodat het land verdere onlusten bespaard zou blijven en het genootschap in ontbinding zou geraken.

Op 17 januari 1813 werden de gevonnisten, tezamen met zes anderen, om elf uur in de morgen en deels om half twee in de middag afgevoerd naar het executieplatform omringd door een grote massa mensen, die gezamenlijk de volgende hymne aanhieven: 

“Behold the Saviour of mankind

Nail’d to the shameful tree!

How cast the love that Him inclined

To bleed en die for me!

 

Hark, how he groans! while nature shakes

And earth’s strong pilars bend

The temple’s veil in sunder breaks

The solid marbles bend.

 

‘t Is done! the precious ransom’s paid

Receive my soul, he cries

See where He bows His sacred head

He bows His head and dies!

 

But son He’ll break death’s envious chain

And in full glory shine

O Lamb of God was ever pain

Was ever love, like Thine.”                 3)

 

Op de executieplaats welke omringd was door een grote hoeveelheid soldaten, zweeg de massa en in doodse stilte werd de executie voltrokken. Toen hun lichamen werden vervoerd naar Huddersfield, volgde een immense menigte de droefgeestige processies naar de begraafplaatsen in de buurt. De mensen begroeven de door hen gerespecteerde helden en leiders met angst voor de toekomst, welke somberder en somberder werd. Wanhoop, honger en lijden vloeiden samen in deze processies. 

Hoe verging het de verraders?

Benjamin Walker keerde na de processen tegen zijn mededaders terug naar zijn woonplaats Longroyd Bridge en leefde daar, gemeden door vrijwel iedereen, nog vele jaren.

De verrader William Hall heeft veel geleden onder zijn daden. Gepest en gemeden werd hij tot een eenzame die veel bezig was met het verleden. Uren bracht hij door met het zingen van fragmenten van Ludditische liederen, zoals: 

“Around and around we all will stand

And sternly swear we will

We’ll break the shears and windows too

And set fire to the tazzling mill!”          1)

 

1) schrijver onbekend

2) Uit: John Wilson’s The Songs of Joseph Mather (1862)

3) Uit: H. Clarkson’s Memories of Merry Wakefield (1887)

 

6.      EN VERDER . . .

Het zuivere Luddisme stierf met Mellor In Yorkshire.

In Lancashire en Cheshire bloedde het dood en eindigde feitelijk met de zogenaamde “trial of the thirey eight”, die allen vrijgesproken werden, maar aantoonden dat de autoriteiten met het geven van een algemene opstand een spook najaagde, wat door de spionnen die aan het spook verdienden, in leven werd gehouden.

In Nottingham was het Luddisme vrijwel gestorven toen het in Yorkshire begon, alhoewel het soms weer tot het volle leven leek te komen.

Maar met dit al overleed natuurlijk niet het ideeëncomplex. De mens bleef strijden tegen onrecht en tegen zijn uitsluiting ten behoeve van de machine. Over dit ideeëncomplex en deze strijd, alsmede over laatste Ludditische restanten gaat dit hoofdstuk.

In deze periode schreef William Cobbett zijn beroemde “letter to the Luddites”, waarin het de volgende stellingen deponeerde als grondslag waarom men de zegeningen der machines maar moest aanvaarden:

1.     machines verlagen de prijs van een product

2.     hoe goedkoper een product, hoe meer vraag ernaar

3.     meer vraag, meer werk

4.     omdat het werk lichter wordt, kunnen jongeren ingezet worden

5.     hier vernietigd, elders wel gebruikt; wij toch blijvend zonder werk. Resultaat: niemand houdt werk en iedereen arm. 

Door deze brief gingen ook binnen het Luddisme steeds meer stemmen op voor aanvaarding der machines en een omzetting van de organisatie naar een politieke. Reeds ten tijde van de Ludditische acties 1811/1812 waren er nevengroepen ontstaan, die als het ware de politieke lijn waren van het Luddisme. Onder de leuze weg met de “bloody rule of Kings and Aristocrats” opereerde o.a. de St. Crispin Democratic Club met als voorzitter John Baines, de oude één der prominenten onder de Yorkshire Luddieten.

Veel Luddieten traden dan ook toe tot de Hampden Clubs en/of de Radical Movement. Beiden waren politieke hervormingsbewegingen, die meer invloed nastreefden voor de werkman.

In 1813 verbeterde de toestand iets voor de arbeiders, alhoewel werk schaars bleef en voeding duur. Voedingsrellen vonden nog regelmatig plaats. Dan dwong de massa, de marktkooplui om hun voedingswaren te verkopen voor prijzen, die voor hen betaalbaar waren. Tijdens de rechtzaken in januari 1813 gebeurde dit nog in Leeds onder aanvoering van een Lady Ludd. 

Ook werd in die dagen in Holbeck nog zware schade aangericht aan de eigendommen van een graanmaler, die de prijzen van meel opdreef.

De beweging kreeg met de doodvonnissen in Huddersfield en omstreken een zware klap, maar met de veroordelingen veranderde er natuurlijk niets aan de voedingsbodem waarop de beweging was ontstaan: honger en massale werkloosheid en alles wat dat voor de arbeiders betekende. De kiemen voor een nieuwe opstand bleven in de grond wachten op nieuwe leiders.

Ruim vier jaren nadat Mellor was gehangen in York, vond er een nieuwe opstand plaats. De directe aanleiding was een herziening van “The Corn Bill”, waarin bepaald werd dat er geen graan mocht worden ingevoerd, zolang de prijs bleef onder de 80 shilling per quarter (ca. 291 ltr).

Het was een opstand der hongerenden onder leiding van de “Nottingham captain” Brandreth. Op zondag 8 juni 1817 startte de opstand in Derbyshire onder leiding van Brandreth en George Weightman, de laatste had ook in 1811/1812 binnen de Luddieten een leidende rol gespeeld.

Eerst trokken de mannen naar Sherwood Forest en vandaar richting Nottingham, via Ripley Town-end en Langley Mill trokken ze op.

De groep groeide continue aan met arbeiders en boeren. Tegen middernacht bereikte de groep Nottingham, onderweg waren bij alle huizen wapens gevorderd. Het nieuws had Nottingham bereikt en veel mensen vulden de straten en juichten de opmarcherende “bevrijders” toe,

Het leger maakte zich klaar om samen met de betere standen de fabrieken, kazernes en het stadscentrum te verdedigen. Mr. Robertson, een stadsbestuurder, verkende nabij Eastwood de oprukkende arbeiders, maar toen hij met soldaten en “hussars” terugkeerde naar Eastwood vonden ze de straten bezaaid met grote hoeveelheden wapens, welke de rebellen reeds voor het contact hadden weggegooid. Vele vluchtende werden gevangen genomen. Brandreth en Weightman ontsnapten echter. Weightman werd later in Sheffield alsnog gearresteerd. Jeremiah Brandreth werd pas op 16 oktober in Derby gearresteerd. Hij erkende zelf schuld, maar verraadde niemand. Toen hij ter dood veroordeeld was, schreef Byron in “The Corsair” de volgende regels over hem:

 

“But who that chief? His name on every shore

Is famed and feared, they ask and know no more.

With these he mingles not but to command –       

Few are his words, but keen his eye and hand.

 

His name appeals the fiercest of his crew

And tints each swarthy cheek with sallower hue

 

Still sways their souls with that commanding art

That dazzeles, leads, yet chills the vulgar heart.  

Wat is that spell that thus his lawless train

Confess and envy yet oppose in vain?

What should it be that thus their faith can blind!

The power, the nerve, the magic of the mind!

Link’d with success-assumed and kept with skill

That moulds another’s weakness to his will

Wields with their hands, but still to these unknown

Makes even their mightiest deeds appear his own.

Unlike the heroes of each ancient race

Demons in acts, but Gods at least in face.

In Conrad’s form seems little to admire

Though his dark eyebrows shade a glance of fire;

Robust but not Herculean – to the sight

No giant frame sets forth his common height;

Yet on the whole, who paused to look again

Saw more than marks the crowd of common men.

The gaze and marvel how, and still confess

That thus it is, but why they cannot guess.

Sunburnt his cheek – his forehead high and full

The sable curls in wild profusion veil

There breath but few whose aspect could defy

The full encounter of his searching eye;

There was a laughing devil in his sneer

That raised emotions both of rage and fear;

And where his frown of hatred darkly fell,

Hope withering fled and mercy sighed farewell!”

Hij werd begraven in St. Weyburgh’s Church in Derby. Met hem stierf het Luddisme in Nottingham en de omliggende gebieden. Maar de politieke lijn nam de fakkel over; het vuur in de harten van de arbeiders bleef branden. De volgende grepen uit de West-Riding geschiedenis zijn daar voorbeelden van.

Onder leiding van de democraat Hunt eisten de radicalen gehoor bij de Overheid. Daartoe werden regelmatig zogenaamde hervormingsvergaderingen gehouden, o.a. midden 1819 één in Manchester met Hunt als spreker. 

Wapens werden door de organisatoren verboden. Zelfs zaken als wandelstokken en kledingnaalden waren taboe om de stadsbestuurders geen enkele aanleiding te geven tot ingrijpen. Ruim 80.000 hervormingsgezinden met honderden spandoeken vulden St. Peter’s Square, toen Hunt, zoals gewoonlijk getooid met een witte hoed (het symbool van de radicalen) een speech hield. Midden in de speech ontstond er wat rumoer omdat cavalerie-eenheden zich met getrokken sabel aan één zijde opstelden. In eerste instantie werden ze door de menigte met gejuich begroet, omdat ze dachten dat ze een saluut brachten aan de bijeenkomst. Direct daarna voerden ze een charge uit tegen de ongewapende weerloze massa. De massa probeerde te vluchten en scandeerde als één man: “Butchers! Shame! Shame!”

Binnen een kwartier was het plein “schoongeveegd”, slechts bedekt met doden, gewonden en enkele dapperen die trachtten hulp te bieden. Met kledingstukken, hoeden en bloed was dit het decor voor de strak opgestelde soldaten. Hunt en andere sprekers werden gearresteerd. Deze aanval op burgers die met een vreedzaam en constitutioneel doel bijeen waren, veroorzaakte een grote verontwaardiging in Lancashire en in de rest van Engeland. De radicale pers eiste een justitieel onderzoek en de berechting van de officieren die tot de charge opdracht hadden gegeven. Er kwam echter een officieel dankwoord aan de soldaten voor deze “dappere” en resolute daad ter verdediging van “Law and order”.

Er vond snel hierna in Londen in the Palace Yard Westminster een protestbijeenkomst plaats, waar sprekers als Sir Francis Burdett en John Cam Hobhouse, die resoluties aannamen waarbij de affaire op St. Peter’s Square een massale slachting werd genoemd, welke een vernietiging was van de vrijheid van het Engelse volk.

De regering introduceerde toen de “Six Acts”, welke met een grote meerderheid werd aangenomen in beide huizen. Deze “Six Acts” gaven de autoriteiten het “recht” zonder recht op verdediging een ieder te arresteren of dienst eigendom te betreden, die zich “misdadig” gedroeg of had misdragen en te veroordelen tot levenslange opsluiting.

Niet alleen de militairen, maar ook de regering gedroeg zich nu misdadig tegenover de vrijheden des volks.

Als reactie op dit alles werd er op vrijdag 31 maart 1820 een algemene opstand gepland door de radicale leiders uit de West-Riding. Het hoofdkwartier werd gevestigd in Barnsley en als verzamelplaats voor de detachementen uit Dewsbury, Heckmondwike, Bistall en Brighouse werd de oude Ludditische verzamelplaats gekozen vlakbij Dumb Steeple Cooper Bridge. De inname van Huddersfield leek het eerste doel. Halverwege de mars naar Huddersfield besloten de leiders de eenheden te verspreiden, omdat hun plannen mogelijk uitgelekt zouden zijn. Afgesproken werd om de volgende week woensdag opnieuw bij elkaar te komen, nu op de Grange Moor, om dan op te marcheren naar Huddersfield.

Ook deze aanval ging niet door. Nu omdat de opkomst te gering was. De volgende dag werden 22 leiders gearresteerd; op 11 september begon de rechtzaak tegen hen in York Castle. Alle 22 bepleitten schuld in de wetenschap dat de Kroon hen gratie had beloofd, indien zij schuld bekenden. En zo geschiede.

De regering toonde hiermee begrip voor de zeer slechte omstandigheden waaronder deze 22 (vrijwel allen werkloos) tot hun daden waren gekomen.

Het regeringsaanbod was gekomen, nadat één der leiders, Kirkham, erachter was gekomen dat het Hof over papieren beschikte welke zijn totale militaire planning bevatte. Hij was verraden door Craven Cookson en Stephen Kitchen, die de plannen hadden gekregen om met het detachement, dat uit Huddersfield zou komen, door te spreken. Met deze wetenschap bood Kirkham het Hof aan alle schuld op zich te nemen, indien al de andere gevangenen die naar zijn zeggen door hem misleid waren, gratie zouden krijgen. Kirkham, de Waterloo-veteraan, werd samen met de meeste anderen gedeporteerd naar Van Diemensland en werd later een goed schapenteler. 

Dat er sinds 1811/1812 nog niet zoveel veranderd was, bewijzen de volgende citaten: 

In 1826 schreef The Bolton Chronicle:

“Machinery may be extenderd too far. And we think it incumbent on Government to lay a heavy tax upon it. It consumes neither food nor clothing, but the shopkeepers publicans and others in the manufacturing districts obtain the greater part of their livelihood by the money which the working people lay out with them from their wages.”. 

Uit een anoniem pamflet, gepubliceerd in York in 1826, een antwoord op de vraag: waarom het Luddisme de wetenschap en de vooruitgang wil stoppen:

“I call it a meagre sort of science, or at any rate a gross misapplication of science, if it is to be directed towards the starvation of a deserving and once flourishing population… (and as to the advantage to be gained by foreigners) the advantage would not be gained over us, it would be gained over the mercenary views of a few capitalists.”.

Uit G.C. Burrows “A Word to the Electors” (Norwich 1832):

“How is it that starvation stalks among us while plenty stares us in the face? … Machinery is the hydra of the present day, starvation is her offspring, and as long as the land is cursed with unrestricted machinery, machinery vying with itself, the inhabitants of the whole earth cannot consume te produce. Every market must be glutted, the industry of the human race be of no avail…”.

Na deze periode traden de oud Luddieten toe tot de Chartistenbeweging. De Chartisten hadden het “People’s Charter”, geschreven door William Lovett en later herschreven door Roeback, als leidraad.

De naam Chartist is onlosmakelijk verbonden met Daniel O’Connell die het “Charter” in 1838 als volgt presenteerde aan de leden: “Hier is Uw Charter, agiteer er voor, wees nooit tevreden, voordat U het bereikt hebt.”.

Het Charter behelsde globaal:

a.      algemeen mannen kiesrecht, zowel actief als passief

b.     jaarlijkse geheime parlementsverkiezingen

c.     kiesdistricten van gelijke omvang qua aantal kiezers

d.     vergoeding voor parlementariërs.

Rond 1838/1839 was de situatie nog steeds erg moeilijk. Alleen in Leeds waren al meer dan 10.000 werklozen. Er ontstonden weer rellen met nog steeds dezelfde doelen, nu aangevuld met algemeen kiesrecht.

In Londen werd een Chartistisch congres gehouden, waaruit een petitie kwam welke met meer dan 1 ¼ miljoen handtekeningen aan het House of Commons werd aangeboden. Het Huis verwierp de inhoud met 189 van de 281 stemmen. Daarna werd te Peep Green, tussen Hartshead en Roberttown, de grootste politieke meeting tot op dat moment gehouden. De organisatoren waren Mr. Pitt Keighley en Mr. Luke Firth. Uit alle omliggende steden kwamen de optochten met groene vlaggen (het Chartisten symbool) en spandoeken. Circa 250.000 mensen luisterden naar Feargus O’Connor, de charismatische leider der beweging, en zongen Wesleys’Lyric:

“Peace, doubting heart! My God’s I am

Who formed me man forbids my fear

The Lord has called me by my name

The Lord protects, for ever near.” 

In 1842 braken de zogenaamde “Plugrellen” uit. Deze werden zo genoemd, omdat tijdens de rellen fabrieken stilgelegd werden door de waterkrachtmolens of de stoommachines droog te zetten.

In een officieel regeringsrapport werd in augustus 1842 vermeld dat in Noord Engeland (de textieldistricten) een kwart van de bevolking stervende was wegens gebrek aan voedsel. De lonen waren lager dan ze ooit de voorgaande vijftig jaren waren geweest, in tegenstelling met de voedselprijzen. In deze omstandigheden waren voor veel actieve Chartisten petities en bijeenkomsten net zo hol als hun magen. 

Er braken dan ook op grote schaal rellen en stakingen uit in Lancashire, waarbij veel doden en gewonden vielen. Deze acties breidden zich uit over Cheshire en Yorkshire.

Op 14 augustus 1842, na dagen van grote bijeenkomsten, ontstonden er spontaan arbeidersgroepen die op mars gingen naar Halifax. Legereenheden, waaronder de 17th Lancers werden gedirigeerd naar New Bank met als opdracht de rebellen te stoppen bij de fabrieken van Arkroyd’s en Hough’s. De cavalerie-eenheden stonden onder leiding van Capt. Forrest; de infanterie-eenheden stonden onder leiding van Major Byrne.

Vijfentwintigduizend mannen en vrouwen liepen via de Crown Street en North Bridge richting Halifax. Nabij de Parkstreet stuitten ze op de legereenheden. De massa stopte. Een magistraat probeerde de “Riot Act” voor te lezen. De grotendeels hongerende, blootsvoets gaande, massa scandeerde onderwijl “zonder stemrecht zijn wij slaven”. Nadat de “Riot Act” was voorgelezen, gaven de officieren de rebellen opdracht zich te verspreiden en naar huis te gaan. De massa antwoordde dat ze geen huizen hadden en dat de soldaten ze maar moesten doden als ze dat wilden. Toen klonk uit duizenden kelen:

“Oh, worthy is the glorious cause

Ye patriots of the union;

Our fathers’ rights, our fathers’ laws

Demand a faithful union.

A crouching dastard sure is be

Who would not strive for liberty

And die to make old England free

From all her load of tyranny.

Up, brave men of the union!

 

Our little ones shall learn to bless

Their fathers of the union

And every mother shall caress

Her hero of the union.

Our plains with plenty shall be crowned

The sword shall till the fruitful ground

The spear shall prune our trees around

To bless a nation’s union. 

Tegelijk marcheerden de soldaten op en dreef de massa uiteen. De mensen trokken naar de fabrieken van Haigh, Dawson en Ackroyd en legden daar het werk stil. 

Overal werden bijeenkomsten belegd, waarbij resoluties voor de “people’s rights” werden aangenomen.

Daarna trokken groepen naar alle fabrieken in de omgeving en steeds werd dan de energievoorziening vernield of de watertoevoer afgesneden, zodat toch ook de energietoevoer tot stilstand kwam en daarmee de fabrieken. Dit vond plaats te Exley Bank, Elland Wood, Harley Hill en Bankfield in gevechten met soldaten. Vreedzaam gebeurde het te: Batley Carr, Bathy, Bristall, Littletown, Heckmondwike, Dewsbury, Earlsheaton, Horbury Bridge, Thornhill en toen het leger der hongerenden zich verzamelde nabij Cleckheaton trof het daar bij de fabrieken de Yorkshire Hussars en de Yeomany (vrijwillige cavalerie samengesteld uit landeigenaren) aan. Het kwam tot een kort gevecht waarbij veel arrestaties werden verricht. 

Tot 1848 duurden de onlusten, afgewisseld met vreedzame bijeenkomsten. Feargus O’Connor sprak daar vrijwel altijd.

Eén der laatste acties van de beweging was de mars naar het Parlement, welke geheel mislukte door een verbod van de regering.

Vlak daarna zakte de beweging in, mede omdat de regering in 1846 de gehate “Corn Laws” had ingetrokken. Door de snel dalende voedselprijzen verdween de honger en daarmee de voedingsbodem van de beweging. 

7.      EPILOOG 

De zogenaamde “Plugrellen” waren de laatste acties op grote schaal, waarbij machinevernieling als weerstandsmiddel gebruikt werd tegen de opmars van de machines en de verpaupering als gevolg daarvan. 

Een aantal parallellen tussen toen en nu zijn duidelijk:

–         Toen mechanisering, nu automatisering. De naam is anders, het gevolg, massale werkloosheid, exact hetzelfde.

–         Toen de “Corn Laws”, welke voor een grote snelle prijsstijging van het graan zorgden. Nu de gasprijzen welke door de Overheid snel verhoogd zijn en waardoor menigeen niet meer weet hoe hij of zij de eindjes aan elkaar moet knopen. Maar ook de “Corn Laws” van de EEG mogen we niet vergeten. Deze zorgen er namelijk voor dat vrijwel nergens ter wereld de prijzen van vlees, brood, melk en groenten zo hoog zijn als bij ons.

–         Toen en nu een sterke daling van de besteedbare inkomens.

–         Toen de hoge belastingen voor de alsmaar voortdurende oorlog tegen Napoleon. Nu de alsmaar voortdurende bewapeningsspiraal die zeker niet heeft geleid tot een belastingniveau wat als laag ervaren wordt.

–         Toen het continentale stelsel waardoor de export belemmerd werd. Ook nu kennen nog tal van staten importremmende maatregelen of boycotafspraken.

–         Toen de kerkelijke steunfondsen die niet meer in staat waren de mensen die zonder inkomen kwamen, te helpen. Nu de sociale voorzieningen die “onbetaalbaar” zijn geworden.

–         Toen de wetten die de straffen op tal van vergrijpen verzwaarden tot de doodstraf. Nu de roep om meer gezag.

–         Toen voedselroof, nu proletarisch winkelen en het weigeren van huur en/of het GEB te betalen.

–         Toen economen als Malthus. Nu politieke partijen die minimum inkomens aanzienlijk extra korten en dat nog durven te verdedigen ook.

–         Toen een speech van Lord George Noël Gorden Byron, welke vertaald in termen van nu nog steeds actueel is.

–         De computers of robotten van nu zijn niet wezenlijk anders dan de machines van toen. De “mens” van toen vroeg er niet om, net zo min als de mens van nu om de toepassingen van de computer heeft gevraagd, die hem werkloos maakt. 

De gedachte komt op hoe het mogelijk is, dat in een goed geïnformeerde maatschappij als die van vandaag, de regeerders niets hebben geleerd van de geschiedenis.

Toen wisten de gewone arbeiders dat ze geen stem hadden. Nu hebben de gewone “Jan met de petten” het gevoel dat niemand naar hen luistert. De burger voelt zich, alle demonstraties ten spijt, machteloos tegen alles wat hem wordt opgelegd. 

Een bedrijf doet een vinding en indien er iets aan te verdienen is, zal het bedrijf overgaan tot toepassing van die vinding. Onderzoek noch toepassing worden getoetst op de maatschappelijke gevolgen, toen niet en nu niet. De stoomweefgetouwen en de gigmill waren even bedreigend voor het menselijk geluk van de arbeider van toen, als de computer en de robot dat nu zijn.

De arbeider van toen was verbijsterd dat de Overheid niets deed om hem te helpen. De arbeider van nu begrijpt niet dat de Overheid middels WIR-subsidies het bedrijfsleven in staat stelt arbeidsuitstotende investeringen te doen, welke een maatschappelijke schade aanbrengen, die in geen verhouding staat tot het particuliere gewin.

Arbeid wordt door het bedrijfsleven in onze economie nog steeds, net als toen, uitsluitend gezien als een kostenfactor. Men kijkt nog steeds niet naar de maatschappelijke noodzaak voor vrijwel ieder mens om betaalde arbeid te verrichten, teneinde algemene erkenning, status en een aanvaardbaar inkomen te verkrijgen.

Waren het toen de wevers en de croppers die hun banen verloren, nu zijn het de handwerkmannen, de kantoorbedienden en straks zullen ook in sectoren als het onderwijs, gezondheidszorg en detailhandel de klappen vallen.

De Luddieten van toen lieten het er niet bij zitten, zij streden terug.

De werklozen van nu komen in toenemende mate ook in verzet. Zaken als proletarisch winkelen en huur- en GEB-betalingsstop zijn mogelijk de voorboden en eerste uitingen van zulk een verzet. 

De offers der Luddieten hebben tot op heden de wereld geen ander aanzien gegeven.

* * * * * * * *

 

 

Berry J.                       : The Luddites in Yorkshire; Lancaster 1970.

Bull A.                         : The Machine-breakers; the story of the Luddites; 1980.

Cadman H.A.             : Gomersal; Past and Present; Leeds 1930.

Clarkson H.                : Memories of Merry Wakefield; Wakefield 1887.

Cole G.D.H.                : Common People 1746-1946; 1961.

Darvall F.O.                : Popular disturbances and Public order in Regency England; OUP
                                        1969.

Halstead D.                 : The Luddite disturbances throughout the Cotton Manufacturing
                                         Area in 1812; M.A. Thesis, Liverpool 1917.

Hammond J.L.           : The Town Labourer; 1917.

Hammond J.L.           : The Skilled Labourer; 1919.

Hobsbawn E.J.            : Labouring Man Studies in the History of Labour; 1964.

Hobsbawn E.J. en
Rudé G.                         : Captain Swing; 1969.

Liversidge D.               : The Luddites: Machine-breakers of the Early Nineteenth Century; 
                                          1972.

Patterson A.T.             : Luddisme, English Historical Review; april 1948, vol. 63 (247).

Peel F.                           : The risings of the Luddites, Chartists and Plug-Drawers; London
                                         1968.

Rudé G.                       : Luddism, the Crowd in History, a Study of Popular Disturbances in
                                        France and England 1730-1848; New York 1964.

Russel J.                      : The Luddites; Thorston Society Publications Vol. X, 1906

Thomas M.J.               : Luddites Machine Breaking in Regency England; 1970.

Thomas M.J.               : Luddism in Nottinghamshire Chichester; Selection (HO.42/119-
                                         42/139), 1972.

Thompson E.P.            : The Making of the English Working Class; New York 1966.

Webb S. en B.             :  History of Trade Unionism; 1920. 

                                          Home Office Papiers – HO 40 (Disturbances)

                                          HO 42 (Domestic and General George II
                                          correspondence 1782-1820). 

                                         The University Manuscripts Department Nottingham, Working 
                                          Class unrest in Nottingham 1800-1850; 1970. 

                                         Uit de serie: British Labour Struggles Contemporary Pamphlets
                                         1727-1850.

                                        The Luddites 1812-1839; New York 1972.