NORMEN

 

    


| 20-07-2020 |

 

Op school leerde ik dat onze democratie gebaseerd was op de oude, Griekse stadstaten. Plato’s denken was daarin een belangrijke basis. Als ik onze ‘moderne’ democratie beoordeel, kom ik tot een andere conclusie. De oude Grieken dachten namelijk heel anders over de voorwaarden voor een optimale regimevorm dan wij “modernen”. Voor hen waren de procedures die het functioneren van een regime regelden ondergeschikt aan twee andere zaken. Het besef van de waarde van moraliteit en de balans tussen volk en regerende klasse.

De kern van het klassieke moreel besef werd gevormd door een gehechtheid aan bepaalde kwaliteiten of deugden waarin men het zogenoemde moreel kapitaal van de eigen gemeenschap bevestigd zag. De klassieke kerndeugden waren moed, gematigdheid, rechtvaardigheid en praktische redelijkheid. Naar Plato’s ideeën dienden volk én bestuurders voldoende moreel kapitaal te bezitten. Als dat ontbrak, was verval van het regime onvermijdelijk.

Een democratie zonder morele ankers zou verworden tot een ochlocratie (de heerschappij van de onderbuik). Die laatste regimevorm zou uiteindelijk leiden tot de opkomst van de demagoog, de leider van de meute, wiens gehele programma bestond uit het naar de mond praten van het volk. Een populist in optimaforma. De huidige politici zien zichzelf graag als de democratische erfopvolgers van de oude Grieken. Ik vraag mij steeds meer af of de politici ooit iets van Plato hebben gelezen. Voor de oude Grieken waren morele onkreukbaarheid en rechtvaardigheid de vereisten bij de keuze voor wie de ‘staat’ zou dienen te besturen. Nu lijkt dat veranderd in: de wil tot scoren bij ‘het volk’. Wat ik zie, is een steeds verdergaande normvervaging en veronachtzaming van de publieke moraal. Ik verzucht wel vaker: waar is het moreel leiderschap? Ik schreef hier eerder over.

   
Louis van der Kallen.