71 EN EEN RISICO

 

    


| 26-03-2020 |

 

Ik ben 71 en heb al circa 25 jaar niet de beste longen. Dus ik behoor tot een risicogroep. Ik ben ook een politicus (gemeente en waterschap). Ik zie op tal van terreinen mijn wereld veranderen onder druk van een (corona)pandemie. Ik kijk ernaar met de ogen van een lid van een risicogroep, met de ogen van een politicus, met de ogen van een vader en met de ogen van iemand die langgeleden een opleiding volgde tot medisch analist waartoe ook vakken als fysiologische chemie, pathologie en bacteriologie behoorden.

Ik ben bevoorrecht. Ik woon in een relatief groot huis zonder geldzorgen met de mogelijkheid om op mijn achterplaats en dakterras lekker buiten te kunnen zitten. Een supermarkt binnen loopafstand. Dus wat zou ik te klagen hebben? Velen bevinden zich in een geheel andere situatie. Ik zie om mij heen wel de (mijn) wereld verkruimelen en zorgen en wanhoop toenemen. Die invloed die ik daar op heb is gering. Ook als politicus is er weinig wat ik kan doen. De gemeente doet haar best en staat voor een haast onmogelijke maar noodzakelijke opgave, het rijksbeleid uit te voeren. Als raadslid heb ik nu twee ‘raadsbijeenkomsten’ meegemaakt waar ik, volgens afspraak het enige aanwezige raadslid was. Zodat samen met de burgemeester er een aantal raadsbesluiten waarover alle partijen het eens waren rechtmatig genomen konden worden. Een vreemde ervaring. Zelf vind ik dat er zaken beter kunnen. Als voorbeeld het verbod om in grotere groepen (30+ in kerken) samen te komen. Z’n verbod is logisch maar heeft in een aantal gevallen grote emotionele gevolgen. Vorig jaar moest ik na bijna 51 jaar huwelijk mijn echtgenote begraven. De bijeenkomst in de kerk waar circa 250 mensen samen haar afscheid en leven vierden was voor mij en mijn zoon hartversterkend. Dat moeten veel nabestaanden nu missen. In ‘stilte’ of in ‘beslotenheid’ begraven is nu de standaard.

De essentie van het verbod is verspreiding voorkomen. De kans op besmetting bij een (grote) groep is in een besloten ruimte zoals een kerk of moskee (ook bij een groep van nu maximaal 30 personen) een reëel gevaar maar in de buitenlucht is dat anders als de onderlinge afstand meer dan 1,5 meter is. Ik roep overheden dan ook op de openbare ruimten zoals parken voor diensten zoals bij een huwelijk of begraven open te stellen. Natuurlijk met als voorwaarde de 1,5 a 2 meter ruimte tussen de bezoekers. Dan krijgt zelfs de term Social Distancing iets warms. Virussen overleven in de lucht overdag buiten, waar het UV licht van de zon haar desinfecterende werk doet, vrijwel niet.

Mensen ervaren de gevolgen op het vlak van werk, inkomen, woonbeleving, de (geestelijke) gezondheidszorg, de economie en de sociale cohesie. De prioriteit ligt nu terecht bij de aanpak van de pandemie. Ik zie de wachtlijsten voor de geestelijke gezondheidszorg oplopen mede door de omstandigheden en dat veel therapieën tot stilstand zijn gekomen met mogelijk grote gevolgen en persoonlijke drama’s. Daar moeten straks echt inhaalslagen gemaakt worden. Voor nu ben ik dankbaar naar al diegenen die de maatschappij en de gezondheidszorg draaiende houden.

https://kijkopbergenopzoom.nl/column-71-en-een-risico/

 

Louis van der Kallen.


    

PUBLIEK GOED?  

 


 

PUBLIEK GOED?  

 

Voor mij is het kernpunt van de discussies rond de Tweede Kamer verkiezingen van dit jaar de gezondheidszorg en dan specifiek of gezondheidszorg wel of niet een publiek goed is. Volksgezondheid is net zo’n publiek goed als schone lucht. Vuile lucht of lucht vervuild met ziekmakende bacteriën treft ons allemaal.

De Romeinen hadden al door dat gezondheid een publiek goed was. Zieken werden bij een uitbraak van infectieziekten al samengebracht om verzorgd te worden en om anderen niet te besmetten. Ook in de middeleeuwen kenden veel steden al door stadsbesturen en/of kerken speciaal ingerichte gebouwen voor de zorg van zieken of gewonden zoals pesthuizen, om besmettingen te voorkomen. Toen in Londen er weer een cholera epidemie uitbrak en kort daarna prins Albert, de man van koningin Victoria (op 42 jarige leeftijd), aan paratyfus overleed, was er niemand meer die twijfelde of dat volksgezondheidsprobleem (vervuild water) aangepakt moest worden en werden er rioleringen aangelegd. Als er nu een ebola epidemie in Nederland zou uitbreken was de aanpak daarvan onmiddellijk een zaak van groot nationaal belang en daarmee een publiek goed! Volksgezondheid en de gezondheidszorg zijn door de eeuwen heen ook een publiek goed gebleken. En keer op keer zijn er maatregelen genomen om dat publieke goed te verbinden met andere publieke taken, zoals de aanleg van rioleringen, de drooglegging van moerassen (ter bestrijding van ziekte overbrengende muggen) en zoiets als vaccinatieprogramma’s.

Als het eigen risico er toe leidt dat mensen geen noodzakelijk gebruik maken van medische voorzieningen en een deel van de kinderen niet meer ingeënt worden, kan dat niet alleen voor hen, maar bij infectieziekten, ook voor anderen een groter risico zijn.

Ook prins Albert, als prins-gemaal van koningin Victoria deel uitmakende van de Engelse ‘elite’, bleek ondanks de luxe en de afzondering waarin hij leefde, infecteerbaar met een “armeluis ziekte’. Toen gingen de ogen van de toenmalige ‘elite’ open. Waarom sluit men nu de (politieke) ogen? Voor electoraal gewin? Ik begrijp dan ook niets van de discussie. Waarom leert men niet van de geschiedenis? Waarom is een deel van de politieke ‘elite’ blind voor de feiten. Moeten er dan echt weer grote uitbraken van infectieziekten komen om het besef, dat volksgezondheid een publiek goed is, weer tussen de oren te krijgen?