LEVEN IN DE WAARHEID

 

    


| 14-01-2022 |

 

 

Michael Ignatieff wijdt in zijn boek Troost (als licht in donkere tijden) ook een hoofdstuk aan Václav Havel die zijn hele leven probeerde ‘in waarheid te leven’ in een poging anderen te inspireren. Hij ging ervan uit dat ‘de laatste rechter’ alles, ook de kleinste zaken zou meewegen. Hoewel hij zijn hele leven, bijna als geen ander, aan kritisch zelfonderzoek had gedaan was hij bang voor dat oordeel.

“Poging om in de waarheid te leven” was ook de titel van het essay waarmee Václav Havel probeerde de dagelijkse leugen van de macht te doorbreken.  Een tijdgenoot was Milan Kundera. Kundera was een schrijver die de moed, na de Russische inval in 1968 die een eind maakte aan de Praagse lente, opgaf. En in 1975 verhuisde naar Frankrijk.

Kundera was berustend zo bleek uit een tekst als: ‘Geschiedenis is een slimme godheid, die ons alleen maar kan vernietigen, bedriegen, misbruiken of op zijn best voor de gek houden.” Havel dacht daar heel anders over “de geschiedenis is niet iets wat elders plaatsvindt maar hier. We leveren er allemaal een bijdrage aan.”

De één had de hoop na 1968 opgegeven de ander vond, ondanks de onzekere uitkomst van al je inspanningen, in die gebeurtenis inspiratie. In 1986 drie jaar voor hij zijn land naar de vrijheid zou leiden zei Havel; “Hoop is bepaald niet hetzelfde als optimisme. Het is niet de overtuiging dat iets goed gaat komen, maar de zekerheid dat iets zinvol is, hoe het uiteindelijk ook uitpakt.”

Als lokaal politicus vraag ik mij soms, als ik om mij heen kijk, ook af in welke waarheid leven ik en mijn collega’s? Hoe kunnen inzichten soms zo verschillen? Waarom zie ik iets wat anderen klaarblijkelijk niet zien of willen zien? Waarom denk ik of hoop ik dat het straks (na de gemeenteraadsverkiezingen in 2022) anders zal gaan? Word ik op mijn oude dag een soort van Kundera die de moed opgeeft? Of ben ik een soort van Václav die tegen beter weten in de Via Dolorosa blijft volgen?

De eerlijkheid gebied mij te zeggen; dat wat ik doe als Bergs politicus wel een lijdensweg lijkt, maar ik die met enig plezier afwandel. Natuurlijk had ik liever dat men bij tal van zaken naar mij was geluisterd. Bijvoorbeeld over de risico’s van plannen zoals de Berge Haven en de Markiezaten, over de schulden opbouw enzovoort. Maar gedane zaken nemen geen keer en uiteindelijk zullen wij als politici en als Bergse burgers de gevolgen moeten dragen. Havel kwam vlak voor zijn dood tot de conclusie dat mensen en ook hij índerdaad zelf hun geschiedenis scheppen, maar niet zoals ze zelf willen of hopen.

Of we ‘leven in waarheid’ zullen we allereerst zelf moeten beoordelen. Wat of wie zien we als we in de spiegelkijken? Wie willen we uiteindelijk zijn? Een Havel? Een Kundera? Of ons zelf? Wat vrezen we als onze ziel gewogen wordt?

 

 

Louis van der Kallen.



FAKKELMYSTERIE

 

    


| 12-01-2022 |

 

 

Ik ben misschien een oude dwaze man die hecht aan tradities en het gebruik van symbolen. Eén van de symbolen is de fakkel, toorts of flambouw als brenger van het (goddelijk) licht in een duistere wereld.

Ik ben al vele jaren een volksvertegenwoordiger en heb openbare ambten bekleed op waterschappelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het rare is dat veel van degenen die zeggen een volksvertegenwoordiger te zijn eigenlijk niet geconfronteerd willen worden met het ‘volk’. Toen ik in de jaren tachtig van de vorige eeuw voor het eerst geroepen werd tot een openbaar ambt stonden van alle raadsleden; het adres en telefoonnummer gewoon in de gemeentegids. En toen er emailadressen kwamen, stonden ook de emailadressen in die gids en op gemeentelijke websites. Ga nu eens kijken op een gemeentelijke website van wie u nog een adres, telefoonnummer of eigen mailadres kunt vinden. Veel raadsleden verstoppen zich achter het adres van een griffie.

Toen gemeenten en waterschappen nog kleinschalig waren kenden velen hun raadsleden, wethouders, burgermeesters en waterschapbestuurders bij naam en kwamen ze die gewoon in het dorp of stad tegen. Ook die mensen kochten gewoon brood bij de bakker en was het gemeentehuis nog een gemeenschapshuis op een centrale plaats in dorp of stad. Kijk eens rond waar nu gemeentekantoren zich bevinden? Vaak niet meer in het centrum van de gemeenschap.

Of het nu aan de opschaling ligt of aan iets anders, maar veel bekleders van openbare ambten en volksvertegenwoordigers duiken in de anonimiteit. Ze vinden het eng als iemand weet waar hij of zij woont. Sommigen worden zelfs boos als er iemand voor de deur op duikt en een gesprek wil of op andere wijze zijn of haar gedachten tot uitdrukking brengt. Als voorbeeld de fakkeldrager voor het huis van een minister.    

De fakkel, toorts of flambouw kennen een lange geschiedenis. Fakkeldragers brengen licht in de duisternis. Soms is dat licht of de boodschap (mede) symbolisch bedoeld. Voorbeelden zijn; de 4/5 mei vrijheidsfakkel, de olympische vlam/fakkel (in Nederland in 1928 heringevoerd) de fakkelparade van de KMA, de fakkels voor de vrede in de kersttijd in Tilburg, fakkeltradities in veel berggebieden bij zonnewende momenten, de fakkel als seinmiddel in het donker (hier is het licht, dit is de boodschap), ‘de Fakkel’ als naam voor een tijdschrift of instelling (wij brengen licht in de duisternis), bijvoorbeeld dat van een tijdschrift wat in 1940 in Batavia werd opgericht als voortzetting van de Gids nadat Nederland bezet werd, met een boodschap van ‘vrijheid’, ook ‘de Fakkel’ als naam van een vereniging (zoals een landarbeidersbond opgericht in 1900). Kortom gedragen fakkels kunnen een heel andere betekenis hebben dan een bedreiging. Het dragen van een fakkel kan de uit te dragen boodschap versterken en beklemtonen deze boodschap verdiend aandacht.

Ik kan niet kijken in het binnenste van de fakkeldrager voor het huis van een minister. Maar wat zijn de feiten. Er droeg iemand een fakkel op de openbare weg en riep wat leuzen. Op zich lijkt mij dat niet strafbaar. De fakkeldrager filmde zijn ‘optreden’ wat zegt dat over zijn motieven? Mensen mogen mijns inziens kont doen van hun mening. Als iemand zich dan bedreigd voelt wat zegt dat dan over de situatie en over die persoon? En wat zegt alle media-aandacht voor deze fakkeldrager over onze samenleving?

Bij mij als lokaal politicus komen soms mensen aan de deur. Soms is dat een aangenaam gesprek soms ook niet. Vaak laat ik iemand gewoon binnen, soms ook niet. Je maak een inschatting. Voel ik mij wel eens ongemakkelijk? Soms, maar dat hoort er mijns inziens gewoon bij het volksvertegenwoordiger zijn. Als politicus maak je deel uit van een besluitvormend systeem. En niet iedereen wordt blij van de besluiten die genomen worden.

De fakkel als lichtbrenger waardeer ik. Het is gebaseerd op eeuwen oude tradities. Soms doorontwikkeld tot iets moois als een flambouw (een mobiele godslamp) die voorafgaat aan een priester bijvoorbeeld in een prossessie of bij een bezoek aan een stervende. De fakkel een toorts of een flambouw brengen licht en dat licht symboliseert de kwaliteit van de boodschap, of zoals bij de fakkeldrager voor het huis van de minister, het protest.  

Volksvertegenwoordigers en dragers van een openbaar ambt ga terug op het pad van de vaak gekozen anonimiteit. Volksvertegenwoordiger of bekleder zijn van een openbaar ambt is geen anoniem beroep maar hoort een roeping te zijn. Een roeping die zegt hier ben ik en dit is mijn boodschap. Kan je de hitte niet verdragen ga dan uit de keuken!

Ik begeef mij al jaren met regelmaat met een ‘praatpaal’ op straat om ook buiten verkiezingstijd het gesprek met burgers in alle openbaarheid aan te gaan. En dat kan ook zonder beveiligers. Maar vermoedelijk ben ik een oude dwaas die de tekenen des tijds niet begrijpt en is Bergen op Zoom een heel andere plek dan waar de minister woont. Ik wil best erkennen dat tijden en omstandigheden veranderen en veranderd kunnen zijn. Dan geef ik personen als de minister in overweging eens te overdenken hoe dat komt? Misschien wel om dat steeds meer mensen die ‘volksvertegenwoordiger’ willen zijn zich verschuilen achter anderen en voor gewone burgers niet meer benaderbaar zijn. Geen adres, geen telefoonnummer, geen eigen emailadres. Geen stad- of gemeentehuizen meer op de centrale markt maar gemeentekantoren met poortjes en beveiligers aan de randen van de bebouwde kom en een leger aan PR-mensen. Misschien is dat wel de oorzaak van de huidige fakkelhysterie. Misschien is het wel tijd voor sommige politici, in het kader van verandering van de bestuurscultuur, de fakkel over te dragen!

 

 

Louis van der Kallen.



DE PRIJS VAN HET NEOLIBERALISME

 

    


| 07-01-2022 |

 

 

Ik zit bijna 36 jaar in de gemeenteraad van Bergen op Zoom en ben al dit tijd ook de politiek leider geweest van de BSD. Als je zolang in de raad zit valt op hoe groot de veranderingen zijn. Toen ik in 1986 in de raad kwam waren er 2 grote partijen. De PvdA (9 zetels) en het CDA (8 zetels). Ik werd door velen beschouwd als de 10e PvdA zetel. Binnen 2 jaar kwam men erachter dat het toch iets anders was. Ik maakte het alle wethouders moeilijk en zeker de PvdA wethouder met het milieu in zijn portefeuille.

De raad van toen telde 29 leden waarvan een enkeling vrouw was en niemand met een achtergrond als ‘nieuwe’ Nederlander. Ik was al een buitenbeentje. Geen geboren Bergenaar en dan op titel van een lokale partij! Ik werd al gecorrigeerd door de burgemeester als ik bijvoorbeeld een woord als ‘kulargument’ gebruikte. Pieter Zevenbergen tolereerde een dergelijk taalgebruik niet. Dat soort woorden werden geschrapt uit de notulen! Nu worden veel schofferende woorden op het ‘hoogste niveau’ gebezigd alsof de straat zich de politieke zetels heeft toegeëigend.  

Het lijkt wel of tal van morele tradities overboord zijn gegooid of in de goot zijn terecht gekomen. Het rare is het opleidingsniveau van de politici is verhoogd en het beschavingsniveau lijkt recht evenredig gedaald.   

Is het toeval dat het door mij waargenomen verval gelijk op is gegaan met de omarming van het neoliberale gedachtengoed door een steeds groter wordend deel van de kiezers. Zelfredzaamheid en marktwerking waren de ‘toverwoorden’. De ‘staat’ moest worden uitgebannen en het bedrijfsleven kreeg alle ruimte. Ook de sociale woningbouw werd geprivatiseerd. Nu blijkt dat de woningmarkt niet werkt. Nu wonen voor grote groepen onbetaalbaar en onbereikbaar is geworden wordt er weer gekeken naar de overheid. EXTRA GELD!

De geprivatiseerde zorg toont dezelfde manco’s. Ziekenhuizen kunnen failliet gaan en de zorgverzekeringen maken qua zorg de dienst uit. Mijn waarneming als politicus en ook als toezichthouder bij een kleine zorginstelling is dat de bureaucratisering in de zorg onvoorstelbare vormen heeft aangenomen. Maar ook dat iedere veerkracht om financiële redenen uit de (zorg)systemen is gehaald. Bij de pandemie die ons trof bleek dat de simpelste hulpmiddelen ontbraken en werden zelfs louche figuren ingeschakeld om basale hulpmiddelen aan te schaffen. De ‘markt’ bleek een verrijkingsmachine!

Nu beroept het in het neoliberalisme opgevoede volk zich nu op tal van vrijheden. Zelfontplooiing is het parool. Terwijl tal van maatregelen simpelweg noodzakelijk zijn om de gevolgen van de pandemie op de gezondheidzorg enigszins in de hand te houden. De met neoliberale argumenten uitgeklede zorg kraakt en piept en is feitelijk tot op het bot uitgewoond. En de burger die eist zijn vrijheid op. Inschikken, incasseren, afwachten, gehoorzamen is verleerd. Ook de trouwe aanhangers van het neoliberale gedachtengoed, de ondernemers leren hun handen op te houden. En dat bij een overheid die ieder vertrouwen heeft verspeeld door bijvoorbeeld de toeslagenaffaire. Electoraal effect? De twee neoliberale partijen zijn de grootsten en blijven, ondanks tientallen jaren falend beleid, regeringsdeelnemers. Ze mogen gewoon doorgaan.

Normaal spreek ik mij niet uit over de landelijke politiek. Want als raadslid ga ik er niet over. Maar als raadslid heb ik steeds meer last gekregen van de landelijke puinhoopmakers. Nieuwe ministers, ze gaan gewoon door, alleen met meer geld alsof dat de oplossing is om de vertrouwenscrisis te doorbreken. Het geld gaat weer verdeeld en besteed worden met dezelfde systemen/principes: kostenreductie, controle, outputmanagement, concurrentie, markering en vooral protocollen. Geen flexibiliteit en ambtelijke vrijheid voor maatwerk.

Zeker op de ‘hogere’ niveaus lijkt de politiek een carrièrekeuze. Passie lijkt er alleen nog tot uiting te komen in grof taalgebruik. Passie voor ideeën of het vak zie ik slechts bij enkele ideologische stuiptrekkingen en bij een enkele ‘verdwaalde’ echte volksvertegenwoordiger. En met het verdwijnen van het vliesje van beschaving in de raadzalen en in het parlement klopt de straat, het gepeupel, op de deur en eist zijn door het neoliberalisme beloofde ‘vrijheid’ op. Het wordt tijd dat de staat de burger weer leert samen te leven. Bij een pandemie zal dat betekenen: meer gehoorzamen, afwachten, incasseren en inschikken. Want alleen samen kunnen we de wereld die veranderd is weer op een beter pad brengen. Zullen we maar eens starten met de geprivatiseerde woningmarkt qua sociale woningbouw te nationaliseren en eindelijk weer echt sociaal maken. Want om met Jan Schaefer te spreken “In gelul kan je niet wonen”. Het wordt tijd dat naast de neoliberale vrijheid ook gelijkheid en broederschap aandacht gaan krijgen. Anders wachten er steeds meer revoluties, oproer, demonstraties en rellen.

 

 

Louis van der Kallen.



DE PEST

 

    


| 25-12-2021 |

 

 

Michael Ignatieff wijdt in zijn boek Troost (als licht in donkere tijden) ook een hoofdstuk aan Albert Camus en belicht de totstandkoming van zijn boek “De Pest” (1947). Voor een groot deel geschreven in de bezettingsjaren in Frankrijk. De roman heeft het karakter van een allegorie omdat het verhaal symbool lijkt te staan voor de bezetting. Diverse uitspraken van de hoofdpersonen zou je ook in het licht kunnen plaatsen van de bezetting en hoe je als mens reageert op zoiets als een bezetting door een wreed regime?

”De meeste mensen lieten zich met de stroom meedrijven” (de meeste mensen komen niet in verzet). “De onredelijke stilte van de wereld” (waar blijft de bevrijding). “Een morele plaag, die iedereen isoleerde en tot wederzijdse achterdocht leidde” (collaborateur of verzetsstrijder, niemand is te vertrouwen). “Toeschouwer blijven was niet meer mogelijk” (het onrecht is zo groot, passief blijven is verraad aan de eigen ziel). “Sanitaire brigades” (verzetsgroepen). “De pestbacil sterft nooit of verdwijnt niet voorgoed, dat hij jarenlang een sluimerend bestaan kan leiden in meubels en linnenkasten, dat hij zijn tijd beidt in slaapkamers, kelders, koffers en boekenkasten en dat er misschien een dag zou komen waarop hij, voor de verdoemenis én verlichting van mensen, zijn ratten weer op hitst en laat doodgaan in een gelukkige stad.” Een foute demonische ideologie blijft onder ons en wacht zijn tijd af om te herrijzen en ons weer in het verderf te storten.“Niets weerhoudt een pandemie ervan om uit te breken en als een zeis door onze zekerheden te gaan.” De bezetting van Frankrijk in de meidagen van 1940 ging als een zeis door de zekerheden van de Fransen. Niets was meer wat het leek. Zelfs de held van Verdun, Henri Philippe Benoni Omer Joseph (Philippe) Pétain bleek een verrader, een collaborateur die een dictatoriaal staatshoofd werd van het Vichy-Frankrijk en collaboreerde met Nazi-Duitsland.

Velen kijken nu naar de Coronapandemie als een totale verstoring van onze samenleving en onze zekerheden en die leidt tot een voor ons ongekende polarisatie.

De roman van Camus, kan ook nu allegorische vergelijkingen oproepen. De tegenstellingen in de samenleving komen steeds meer bovendrijven. Ook nu weten velen niet meer wat is waar of wat is echt en wie is betrouwbaar? Angst en eigenbelang trekken diepe sporen, ten tijde van de pest, ten tijde van de bezetting en ook nu.

 

 

Louis van der Kallen.



HIERVOORMAALS

 

    


| 04-01-2022 |

 

 

In het boek ‘Troost’ van Michael Ignatieff staat een korte dialoog tussen James Boswell die David Hume bezocht terwijl deze op zijn sterfbed lag. “Boswell was nieuwsgierig ‘of hij met de dood voor ogen volharde in zijn ongeloof in een bestaan hierna’. Hume antwoordde kortaf dat hij het niet ongemakkelijker vond om zich een hiernamaals voor te stellen dan een ‘hiervoormaals’ voorafgaand aan zijn geboorte.”

Het was een stukje tekst die mij aan het denken zette. In de 73 jaar van mijn leven waren er momenten dat ik ergens kwam dat ik dacht, nee zeker wist, dat ik er al eens was geweest. Een plek waar je thuiskomt, terwijl je objectief weet dat is onzin. Ik ben hier niet eerder geweest. Soms kom je iemand tegen die je echt voor de eerste keer spreekt waarbij je een bijna absoluut gevoel hebt dat je die persoon als het ware al tientallen jaren kent. Hij of zij voelt vertrouwd. Zonder dat je kan duiden waar of wanneer dat dan geweest zou zijn of in welke hoedanigheid of relatie.

Het overkomt mij zelden maar als het gebeurd is het een bijna overweldigende ervaring. Je thuis voelen of vertrouwd voelen op een plek of bij een persoon is voor een mens, ook voor mij, belangrijk. Ik had dat soort ‘plek’ ervaringen op Føroyar de Faeröer eilanden. Een foto van zo’n plek siert al jaren mijn facebookpagina. Mijn zoon en ik zijn daar al 3 keer op vakantie geweest. En plek waar 12 graden in juli een warme dag is en als het vijf uur niet regent hebben ze daar een gezegde voor; “Onze-Lieve-Heer is ons vergeten”. ‘Normale mensen denken dan; geen aantrekkelijke vakantieplek! Ook op de Shetland eilanden heb ik dat gevoel mogen ervaren.

Mijn genen stammen van een rooms-katholieke vader en gereformeerde moeder zij besloten de kinderen niet te dopen, maar ze wel te informeren over alle grotere wereldgodsdiensten. In mijn opvoeding kreeg ik van veel godsdiensten dus wat mee. Mijn ouders gaven mij elementen mee van een drietal protestante richtingen, het katholicisme, Grieks en Russische orthodox, richtingen van de Islam (soennitisch, sjiitisch en alevitisch), Joods, boeddhisme, taoïsme, confucianisme, hindoeïsme en zelfs het shintoïsme hetgeen mijn vader beschouwde als de godsdienst van de vijand. Ik moest later maar kiezen of en hoe ik eventueel het religieuze aspect in mijn leven wenste in te vullen. Als ik MOET kiezen zou ik kiezen voor het boeddhisme. Het ontwikkelen van de geest, het kiezen van het eigen levenspad zijn elementen die mij aanspreken.

Vele religies en filosofen doen uitspraken over het ‘hiernamaals’. Over het ‘hiervoormaals’, het; waar waren we (mens en dier) voordat we geboren werden en was of is er ook daar een bewustzijn? Zijn godsdiensten een stuk minder mededeelzaam. Alleen bij geloofsrichtingen (zoals het hindoeïsme en boeddhisme) die de reïncarnatiegedachte aanhangen is er iets over te vinden. In westerse esoterische groeperingen wordt het idee van reïncarnatie soms ook aangehangen, hoewel niet altijd op dezelfde wijze. In navolging van de theosofie gaan ook de antroposofen, de rozenkruisers en andere esoterische groepen (sommige wicca-aanhangers) geregeld uit van reïncarnatie.

In de abrahamistische religies is zoiets als een ‘hiervoormaals’ nergens aan de orde. In de Bijbel, de Thora en de Koran is over een ‘hiervoormaals’ niets te vinden. Terwijl het ‘hiernamaals’, het paradijs, vele malen wordt vermeld.

De godsdiensten waar reïncarnatie een element is gaan wel uit van het idee dat je een vorig leven had en dat dit bepaald hoe je nieuwe leven er uitziet gaat zien, maar ook daar is altijd sprake van een ‘eerste leven’. Dus de ‘hiervoormaals’ bij reïncarnatie zijn, na je start, de “hiernamaals” van je eerdere levens. Wat zou ik graag meer weten over mijn ‘hiervoormaals’ en de motieven om mij in dit leven te plaatsen. Al was het maar om een antwoord te vinden op de vragen die leven in mijn hoofd; wanneer en onder welke omstandigheden ben ik op de voor mij herkenbare plekken geweest of heb ik de personen eerder ontmoet van wie ik het gevoel heb ze eerder gekend te hebben?

 

 

Louis van der Kallen.



ANDERS KIJKEN 19 (COVID)

 

    


| 02-02-2022 |

 

 

Ik heb in mijn leven slechts twee werkgevers gehad. Ik heb gewerkt op een agrarisch proefbedrijf waar ik laboratoriumwerk deed, maar ook veldwaarnemingen aan gewassen en proefveldresultaten statistisch uitwerkte. De tweede werkgever was een kunstharsfabriek waar ik voornamelijk toepassing technisch laboratoriumwerk deed gericht op constructies, inkten en lijmen.

Ik heb in die tijd tal van cursussen gedaan o.a. technisch fysicus PBNA (hts-niveau), (gewapende) kunstharsen, (brand) beveiliging, kleurenkundige en kernfysica. Maar ook medisch analist met vakken als bacteriologie, fysiologische chemie, hematologie, fysiologie en pathologie. En daarna tal van bestuurskundige cursussen die te maken hebben met het functioneren van overheden.

Die, in de ogen van sommigen, rare mix van vergaarde kennis leidt ertoe dat ik soms tegen zaken anders aankijkt dan veel anderen. Bij mijn eerste werkgever werkte ik met ontsmettende stoffen en systemen die in potentie voor de mens en het leven schadelijk kunnen zijn. Zoals ontsmettende kwikverbindingen (nu zonder uitzondering verboden) tot en met ontsmettende stralingssystemen UV-straling.  Bij mijn tweede werkgever werkte ik met in potentie brandgevaarlijke, explosieve, giftige, stralingsgevaarlijke en carcinogene stoffen.

Soms brachten werkmethoden risico’s met zich mee en soms neveneffecten waar je als medewerker voor je eigen veiligheid rekening mee moest houden. Eén van die zaken was de corona-behandeling (heeft niets te maken met COVID) van oppervlakken. Een corona behandeling optimaliseert middels een ontladingszone de hechtingseigenschappen van bijvoorbeeld kunststoffen. Het is een oppervlakte voorbehandelingstechniek die een elektrische ontlading gebruikt om veranderingen in de eigenschappen van een oppervlak te genereren. Door de energie die vrijkomt tijdens een corona-behandeling, binden er zich reactieve groepen (waterstof, zuurstof, hydroxyl) aan het oppervlak. Wanneer bijvoorbeeld een kunststoffolie door de ontladingszone wordt gevoerd, dan wordt hierbij het oppervlak geoxideerd. De elektronen in de ontladingszone hebben een hogere energie en zorgen voor het verbreken van de verbindingen aan het kunststoffolie oppervlak.  In de ontladingszone ontstaan reactieve groepen die niet alleen de folie ontsmet maar ook de tussen liggende lucht ontsmet waarbij de ontstane ozon goed te ruiken is.

Ik deed ook proeven met UV-straling om kunstharsen uit te harden. Sedert maart 1981 ben ik houder (als uitvinder) van een milieupatent, te weten United States Patent nr. 4255464. Ik heb dus enige kennis van de effecten van UV-straling. Ook UV-straling heeft een ontsmettende werking.

Wat mij verbaast is dat tot nu toe, als het gaat om bijvoorbeeld de behandeling van (binnen)lucht in gebouwen, deze manieren van ontsmetten nauwelijks benoemd worden c.q. gebruikt. UV-C lampen kunnen relatief eenvoudig ingebouwd worden in luchtbehandelingssystemen van gebouwen en schepen. Ze doden, behoorlijk effectief bacteriën en virussen. Datzelfde, is in principe, ook geldend voor “de corona-behandeling” (de naam heeft niets te maken met COVID) systemen die al meer dan 50 jaar bestaan. In de ontladingszone worden virussen en bacteriën zeer effectief door oxidatie gedood. Hier moet wel de ozongehalten, van terug te voeren lucht, gemonitord worden!

Maar ook anderen meer homeopathisch methoden van behandeling verdienen aandacht, al is het maar onder het moto; baat het niet schaadt het niet.

Door de medisch analistenopleiding heb ik altijd belangstelling gehouden voor wat er in het menselijk lichaam, mijn lichaam, gebeurt. En omdat ik nu niet bepaald over de sterkste longen ter aarde beschik ging mijn belangstelling altijd uit naar longziekten dit mede omdat mijn werk en mijn genetische voorgeschiedenis op dat vlak de nodige risico’s inhielden. 

Het klinkt misschien raar maar ik zie een beetje gelijkenis tussen de effecten/symptomen van tuberculose en Long-COVID. Toen er voor tuberculose nog geen effectieve medicijnen bestonden stuurde men de patiënten naar in de bossen en bergen gelegen sanatoria.  In Nederland vooral gelegen op de Veluwe en in t Gooi. Richting de schone/gezonde lucht. De bioloog Boris Petrovich Tokin ontdekte in 1956 wat de ‘gezonde’ factor was in de bergen en bossen zoals op onze Veluwe. Hij ontdekte dat; de lucht in (jonge) dennenbossen door vluchtige phytonciden, vrijkomend uit sparren, vrijwel geen ziekte kiemen voorkomen. In een artikel van Christoph Richter (1986) werd dit nader uitgewerkt beschreven. De lucht in sparrenbossen bleek een antibiotische werking te hebben. Wat men al bijna honderd jaar op basis van de praktijk wist kon wetenschappelijk worden onderbouwd.

Mijn advies op basis van; ‘baat het niet schaadt het niet’ aan long-COVID patiënten is; ga wandelen of huur een tijdje een huisje in een sparrenbos. Misschien is ook de heropening van sanatoria in de bossen een optie. Wat mij betreft kan anders kijken soms iets bijdrage aan het denken over het omgaan met (nieuwe) medische en maatschappelijke problemen.

 

 

Louis van der Kallen.



RIMPELING

 

    


| 28-12-2012 |

 

 

Wanneer het leven naar het einde loopt en de dood onafwendbaar zich aandient is het goed als de focus van een behandeling mag verschuiven van behandelen gericht op genezing of vertraging naar een comfortabel en vredig afscheid nemen. Verzoenen met het leven, ook je eigen leven, past daarbij. Afsluiten wat niet af te sluiten leek. Helen van oude, nog open, geestelijke wonden. Ruzies, soms decennia oude vetes, uitpraten of simpel elkaar weer ontmoeten en ze bijleggen. Ook in de schaduw van de dood kunnen nog zaken afgemaakt of opgelost worden. Dit inzicht kan troost bieden.

Soms is het van belang dat anderen daarbij hulp bieden. Enkele weken voor de dood van de ex- echtgenote van mijn broer kon ik een rol spelen bij een vorm van verzoening. Ze had het leven van mijn broer in een vechtscheiding van tientallen jaren stevig vergalt. Op verzoek van mijn nicht heb ik haar, vlak voor haar dood, een vorm van vrede kunnen laten sluiten met mijn broer. Hoe diep soms de pijn zit, je hebt een groot deel van het leven gedeeld en gezamenlijk een pracht van een kind op de wereld gezet. Gun elkaar een vredig afscheid van dit leven! Maar misschien nog belangrijker, met het vredige afscheid wordt dat ook voor hen die achterblijven wat draaglijker. Iedereen wil dat degene die afscheid neemt dat kan doen in vrede met zichzelf en het leven. Vredig inslapen is ook van belang voor hen die het verlies een plek in hun leven moeten geven.

Praten, praten, praten, kortom inzicht krijgen in het leven kan helpen de stervende zichzelf en anderen te vergeven en zich te verzoenen met het naderende einde. Voor sommigen is het geloof een anker waar zij zich ook op hun sterfbed op verlaten en zich aan vasthouden.

Mijn moeder gaf mij de wijze lessen mee. “Zorg dat je, op je sterfbed niet zal moet zeggen ‘had ik maar’. Wat je denkt dat je moet doen moet je op zijn minst geprobeerd hebben! Als je sterft moet je het gevoel hebben geleefd te hebben. Laat een rimpeling achter.” Dat is één van de redenen van de rimpelingen op de grafsteen van mijn Ank. Zij liet wel meer dan één rimpeling achter!    

Soms bevat het leven een verrassing. Ik ben veel ouder dan ik dacht te worden. Geboren in een gezin waar de grootouders al waren gaan hemelen. Mijn vader overleed toen ik acht was en moeder toen ik 16 was. “Wij worden geen 60” zei mijn moeder altijd, 45-55 is al mooi, de lengte van je leven doet er niet toe het gaat er om wat je met je leven doet en met wie jij je leven deelt. De kwaliteit van je leven is wat werkelijk telt.” Ik moest er wat van maken.

Cicely Saunders was een Engelse arts die van grote invloed is geweest op de totstandkoming van de moderne hospice. Eén van haar uitspraken was; “De deur van de hoop moet langzaam en voorzichtig worden dichtgedaan. Want valse hoop bied geen enkele troost.”

Ik onderschrijf die woorden. Mijn Ank kon in vrede afscheid nemen omdat ze wist dat ze van betekenis was geweest voor iedereen waarvan ze hield. Een betekenis die troost bood aan Ank en aan degenen die zij achterliet. Ik hoop dat meer stervenden zullen beseffen welke ‘rimpelingen’ zij achterlaten in de samenleving en bij hen die ze achterlaten. Aan toekomstige achterblijvers; laat ze dat weten, laat ze dat voelen!       

 

 

Louis van der Kallen.



OP NAAR DE ‘ROARING TWENTIES’

 

    


| 26-12-2012 |

 

 

In het boek Troost van Michael Ignatieff wordt ingegaan op Max Webers benadering van ‘de roeping’ als element van “Die Protestantische Ethik” en op Max Webers ontwikkeling in het denken over de ontwikkeling van de moderne wetenschap en wat dat betekende voor het denken van de moderne mens (anno circa 1919). Zo memoreerde hij in een lezing voor studenten dat hij het inmiddels eens was met Tolstoj dat ‘leven en dood voor een beschaafd mens al hun betekenis hebben verloren’. De moderne mens in onverzadigbaar. “Die laten zich een rad voor ogen draaien door de fabel van de vooruitgang en geloven daardoor dat het leven eindeloos kon worden verbeterd. In die zin hadden moderne mannen en vrouwen nooit ‘genoeg van het leven’”. Er was wel vooruitgang in kennis maar die had niet het vermogen te troosten. Maar dat was geen reden tot wanhoop: ze moesten in nederigheid hun wetenschappelijk werk doen en aanvaarden dat het geen blijvend nut had.

Met dit soort lezingen trok Weber volle zalen. Weber zwelgde in zijn sombere profetische uitspraken. Na de Duitse nederlaag in 1918 was Duitsland in chaos en wanhoop. Hij pleitte voor Sachligkeit (nuchter realisme en bescheidenheid).  Na de dood van Rosa Luxemburg en andere spartakisten tijdens de Spartacusopstand (januari 1919) was Weber van mening dat op allerlei fronten de op overtuigingen gebaseerde ethiek volledig was losgeslagen en verworden tot een zelfbegoocheling zonder oog voor de gevolgen of het verlies aan morele waarden. Er was naar zijn mening geen ethiek meer te vinden in de samenleving die uitging van verantwoordelijkheidsbesef of nuchtere gematigdheid of het vermogen de wereld te zien als die werkelijk was. 

In de donkere tijden van vlak na de Duitse nederlaag in 1918 sprak Weber zijn toehoorders moed in. Door te herhalen dat ook hij zijn ‘roeping’ had gevonden. Met een zekere opgetogenheid, gebaseerd op het idee van vooruitgang, wees hij hen er dan op dat: “Het mogelijke zou nooit zijn bereikt als niet mensen keer op keer hadden geprobeerd het onmogelijke te bereiken.”  Weber kwam tot het besef dat “elk mens het leven alleen aankan door zelf zijn doel in dat leven en ook [door] hoop te scheppen.” Dwing jezelf dus net als Weber je de vraag te stellen wat is mijn ‘roeping’ en hoe ben ik daartoe gekomen?

Webers bijna obsessieve belangstelling voor politiek kwam deels voort uit het feit dat hij zelf heel goed begreep welke verlokkingen daarbij speelden. Hang naar macht, ijdelheid, demagogie en zelfbegoocheling. Hij vond ook dat hij verantwoordelijkheid moest nemen om in die duistere tijden de jeugd te inspireren niet te vluchten in haat of te schuilen in illusies.

Ik zie nu ook duistere tijden. Ik zie dat velen zich laten verleiden tot demagogie om de macht te verkrijgen waarbij velen wel vluchten in haat en illusies. De korte termijn van het verkiezingsresultaat is belangrijker dan de langere termijneffecten op het geheel van de samenleving. Wat is dan de ‘roeping’ en het effect op het lot van gewone mensen. Bij steeds meer ‘politici’ zie ik een zelfbegoocheling van bijna olympische omvang. Ze zijn als goden op de Olympus en zijn vaak de echte meesters van de demagogie. Soms leidend tot een ‘massapsychose’ vaak gebaseerd op misinformatie. Hopelijk komen er na donkere tijden, net als die van na de eerste wereldoorlog, er weer ‘roaring twenties’ met vernieuwing en het vrolijke, genietende leven!     

 

 

Louis van der Kallen.



VERDRIET

 

    


| 26-12-2021 |

 

 

 In het boek “Troost” van Michael Ignatieff wordt in het hoofdstuk “Oorlog en vertroosting” ingegaan op ‘troost’ in en na een (burger-)oorlog, waarbij de toespraak van Abraham Lincoln van maart 1865 bij de aanvaarding van zijn tweede ambtstermijn wordt behandeld.

De Amerikaanse Burgeroorlog liep in maart 1865 op zijn einde. Een conflict dat circa 700.000 dodelijke slachtoffers kende en meer dan een 500.000 gewonden. Hoe vind je als overwinnaar dan de woorden die het volk na al die verschrikkingen, al die verwoestingen, al dat leed weer kan helen, verzoenen en herenigen. Wrok en woede via gedeeld berouw omzetten in een nieuw gevoel van gezamenlijkheid is moeilijk. 

Een oorlog in alle bitterheid van het ‘eigen gelijk’ uitgevochten tot het moment van totale instorting. De twee partijen lazen dezelfde bijbel, baden tot dezelfde god en spraken dezelfde taal, beriepen zich op hetzelfde geloof om hun strijd te rechtvaardigen. Lincoln haalde het evangelie aan van Mattheüs aan: “Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld worde”. Lincoln begreep de banden tussen troost, vergiffenis en verzoening. Als de uitkomst van een oorlog slechts de triomf is van de één en de rampzalige nederlaag van de ander zal een vrede besmet worden met beschuldigingen en haat en een blijvende wrok opleveren. Wees nederig over de zin en uitkomst van de strijd. Gun de ander een eervolle nederlaag. Lincoln bracht die wijsheid op in een poging troost en vertroosting te bieden aan al degenen die hun geliefden hadden verloren of de mismaakte slachtoffers thuis opvingen.

Kijken we na meer dan 150 jaar terug dan kan ik – als buitenstaander – niet anders dan constateren dat Lincolns hoop op een grootmoedige wederopbouw zowel materieel als menselijk grotendeels is mislukt. De mentale wonden van toen zijn nog niet genezen. Het noorden (de Unie) is nog steeds het industriële hart (voor zover de industrie niet naar China en Vietnam is overgebracht). De ongelijkheid in het zuiden (de confederatie) is nog steeds het grootste en het menselijk leed het schrijnendste. Ook politiek is het land niet echt herenigd. De ‘Democraten’ heersen in de voormalige Unie staten en de ‘Republikeinen’ (de GOP) in de voormalige confederale staten. En zijn de minderheden nu wel vrij, in de zin van dezelfde rechten? Kijkend naar hun gemiddelde leefsituatie, hun slachtofferschap bij misdaden, de behandeling in wet, regelgeving en zeker ook door de politie, dan denk ik van niet. Kijkend naar CNN of FOX News groeit de polarisatie in de USA met de dag. Wat is leren van het verleden toch moeilijk. Als zelfs de bloedigste broedertwist allertijden ondanks de woorden van troost en vertroosting door een groot staatsman niet leidt tot een beter en meer rechtvaardiger land. De Unie/Confederatie grens is nog steeds hard. En de kloof in denken lijkt zich op die grens te verbreden.

Is Trump de nieuwe Jefferson Davis en kan Biden de rol op pakken van Lincoln? Met het verwijderen van de namen en beelden van Zuidelijke ‘helden’ is honderd vijftig jaar na dato het inwrijven van de morele en militaire nederlaag weer stevig ter hand genomen en de wonden worden weer opengereten. Wat is grootmoedig winnen en eervol verliezen toch moeilijk. En daarmee is echt troost vinden en absolutie bieden aan de doden haast onmogelijk. Respecteer de ander en zijn geschiedenis en afstamming ongeacht of hij of zij rood, geel, bruin, wit of zwart is of alles er tussenin. Dat zou mij troost bieden.

Voor wie eens even bij het herdenken van alle oorlogsslachtoffers wil stilstaan, lees eens mijn digitale doden herdenkingsgeschrift van mei 2020.

 

 

Louis van der Kallen.



GETUIGENISSEN ALS TROOST

 

    


| 24-12-2021 |

 

 

In Michael Ignatieffs boek Troost (als licht in donkere tijden) is ook een hoofdstuk gewijd aan troostvinden en het zorgen dat je verslag doet van de gruwelijkheden die niet vergeten mogen worden. Troost is dan gevonden in de getuigenis die wereldkundig gemaakt moest worden.

Anna Achmatova getuigt in haar Requiem over de miljoenen slachtoffers die door het regime van Stalin op gruwelijke wijze zijn vermoord of gedeporteerd naar de goelag. Haar Requiem was een monument namens elke vrouw die in de jaren dertig bij Russische gevangenissen stond te wachten op haar geliefden die daar waren opgesloten, gemarteld en vaak vermoord.

Primo Levi was een Italiaanse jood die  Auschwitz-Monowitz overleefde en in 1947 het aangrijpende boek Se questo è un uomo (Is dit een mens) publiceerde. Hij getuigde van de gruweldaden die niet vergeten mogen worden.

Miklós Radnóti was een Hongaars-Joodse dichter die terecht was gekomen in een Duitse arbeidsbrigade die in een Servische kopermijn door de SS tewerk was gesteld. Toen de Russische troepen naderden werd de arbeidsbrigade die vooral uit Hongaarse joden bestond afgemarcheerd richting Duitsland. Het werd een dodenmars. Miklós Radnóti maakte in een klein boekje aantekeningen, door hem ‘prentbriefkaarten’ genoemd. Vlakbij de Duits-Hongaarse grens werd hij met een nekschot afgemaakt door Hongaarse SS’ers. Toen zijn lichaam in augustus 1946 werd gevonden kwamen zijn eigendommen in handen van een lokale slager die ze uiteindelijk kon geven aan zijn weduwe. Miklós Radnóti kreeg uiteindelijk erkenning als een van de grootste dichters van Hongarije en Europa. Ook zijn werk was een getuigenis van gruwelijkheden die niet vergeten mogen worden!

Anna Achmatova, Primo Levi en Miklós Radnóti leefden in een hel, zij vonden het hun plicht om daar verslag van te doen, dat was in die omstandigheden troost in de vorm van politieke hoop. Hoop dat wij zouden leren van wat was geschied. Zij geloofden dat de door hen ervaren kwellingen zich nooit meer voor zouden doen als de waarheden tot de volgende generaties door zouden klinken. Wij zouden deze dan voortdurend moeten gedenken.

Maar doen de generaties van nu dat ook? Beseffen ze door de getuigenissen van de holocaust en Stalins terreur dat het een plicht is deze te gedenken om in het heden herhaling te voorkomen. We zien nu dat sommigen – om politieke redenen –  een alternatieve werkelijkheid schetsen waarin niet altijd geloof wordt gehecht aan de getuigenissen over het werkelijke lijden. Stalin en Hitler hadden en hebben helaas hebben vele volgers van een gedachtegoed dat een demonische uitwerking had op miljoenen slachtoffers. Aan ons de plicht de getuigenissen van Anna, Primo en Miklós levend te houden zodat er geen nieuwe getuigenissen van nieuwe gruweldaden kunnen worden opgetekend.

De weduwe van Miklós moest de rest van haar leven een groot verdriet meedragen zoals verwoord in het gedicht van Emily Dickinson.

“They say that time assuages,

Time never did assuage,

An actual suffering strengthens,

As sinews do, with age.

Time is a test of trouble,

Bur not a remedy.

If such it prove, it prove too

There was no malady.”

 

 

Louis van der Kallen.