BESTUURLIJKE HERINRICHTING, KENMERK 0056

 


 

Bergen op Zoom, 27 september 2014

 

Aan het College van Gedeputeerde

Staten van de Provincie Noord Brabant

Postbus 90151

5200 MC ’s Hertogenbosch

Per email: [email protected]

 

Betreft:          bestuurlijke herinrichting, kenmerk LK/14066-0056

  

Geacht College,

 Met interesse heeft ondergetekende kennis genomen van de publicatie in de Brabant Nieuwsbrief met de inhoud: “Op een vernieuwende manier samenwerken aan de bestuurlijke herinrichting van en voor Brabant”. De daarin aangegeven ambitie, verwoord in “(Veer)Krachtig Bestuur: Op weg naar nieuwe samenwerking en samenhang”, onderschrijft ondergetekende van harte. Ik vind het jammer dat het verhaal voorbijgaat aan de eenvoudig op te pakken zaken die nu vaak mede bepalend zijn voor het niet optimaal functioneren van overheden in het algemeen. 

Een voorbeeld uit de eigen omgeving is de bestuurlijke verantwoordelijkheden van het natuurgebied Markiezaten/Molenplaat. Twee provincies (Noord Brabant en Zeeland), twee waterschappen (Scheldestromen en Brabantse Delta) en drie gemeenten (Tholen, Bergen op Zoom en Reimerswaal) dragen verantwoordelijkheid voor dit natuurgebied, waar niemand woont en dat als Natura 2000 gebied en als natte natuurparel veel aandacht, plannen maken en uitvoering behoeft. Het gevolg van de bestuurlijke lappendeken is dat dit gebied niet die aandacht krijgt die het verdient. Zo blijkt dat in het, op dit moment nog concept, waterbeheersplan 2015-2021 van het waterschap Brabantse Delta voor dit gebied, in deze periode, nog geen plannen worden ontwikkeld om aan de doelstellingen van een Natura 2000 gebied of natte natuurparel te gaan voldoen. In mijn beleving een gemiste kans. Die afwachtende houding komt naar mijn gevoel voort uit de bestuurlijke lappendeken, waardoor plannen maken en uitvoeren onnodig complex zijn.

Mijn verzoek: kom tot zodanige afspraken inzake de bestuurlijke indeling van dit gebied waardoor dit gebied onder één provincie, één waterschap en één gemeente komt te vallen. Een natuurlijke grens zou de Markiezaatskade kunnen zijn. 

Uw handelen afwachtend, 

hoogachtend, 

L.H. van der Kallen

lid van de gemeenteraad Bergen op Zoom, BSD-fractie

lid Algemeen Bestuur Waterschap Brabantse Delta, fractie Ons Water/Waterbreed

 


 

LEDEN TWEEDE KAMER INZ. HYPOTHEEKSCHULDEN PROBLEMATIEK – D0042

 


 

Bergen op Zoom, 24 april 2013

 

Geachte Tweede Kamer fractie,

Ik heb een suggestie over hoe de hypotheekschuldenproblematiek te verlichten, de kredietrisico’s van hypotheekverstrekkers te verminderen, de belastinginkomsten te verhogen, het besteedbaar inkomen van een deel van de bevolking te verhogen, de woningmobiliteit/doorstroming te verhogen en daarmee indirect de woningbouw te bevorderen en de economie te stimuleren. Kan dat met één maatregel? Ja dat kan!

Als de belastingvrije gift van ouders en grootouders wordt verhoogd tot bijvoorbeeld maximaal € 200.000, onder de voorwaarde dat de gift in hetzelfde kalenderjaar volledig gebruikt moet worden voor de aflossing van de hypotheekschuld, dan heeft deze maatregel een positieve bijdrage aan de oplossing van bovengenoemde problemen.

– De belastinginkomsten stijgen direct omdat de aftrekbare rentebetalingen dalen. Dit gaat deels ten koste van de vermogensheffing van de ouders/grootouders en beperkt in de toekomst de erfbelasting iets. Dit laatste meer theoretisch omdat de heffingsvrijstellingen groot zijn.
– Het besteedbaar inkomen van de ontvangers stijgt, omdat er minder rente betaald hoeft te worden.
– De woningmobiliteit/doorstroming kan toenemen omdat de ontvanger minder snel ‘onderwater met zijn hypotheek komt te staan’ of het ‘onderwater staan’ door de aflossing wordt opgeheven.
– Door het toenemen van de woningmobiliteit/doorstroming kunnen de woningverkopen stijgen en kan daarmee de woningbouw gestimuleerd worden.
– Door de effecten op het besteedbaar inkomen en de indirecte stimulering van de woningbouw wordt de economie gestimuleerd.

Wat is nu mooier dan deze voor de staat geld opbrengende maatregel met tal van positieve effecten?

De maatregel zou nog meer effect krijgen als de aflossingsbeperkingen, vaak mag slechts 10 of 20 % van het hypotheekbedrag extra worden afgelost, worden opgeheven of als de voorgestelde maatregel ook zou gelden voor giften van anderen dan ouders en grootouders.

Met vr.gr.
Louis van der Kallen

 


 

 

BANK NEDERLANDSE GEMEENTEN INZ. KREDIETVERLENING OVERHEDEN – D041

 


 

Bergen op Zoom, 27 april 2010

Bank Nederlandse Gemeenten
T.a.v afdeling kredietbewaking
Postbus 30305
25001 GH Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw,

Als gemeenteraadslid van de gemeente Bergen op Zoom wil ik met u, als één van de grotere financiële instellingen gericht op de overheid, mijn zorgen delen inzake de kredietwaardigheid van mijn gemeente. Overkreditering is niet alleen een probleem bij burgers en bedrijven, maar ook bij overheidsinstanties als gemeenten die de afgelopen jaren te ver zijn doorgeschoten in hun ambities en daardoor in het aangaan van financiële risico’s en verplichtingen. Reeds een tiental jaren heb ik bij de behandelingen van begrotingen en rekeningen gewezen op de beperkte reserves ten opzichte van de onderhavige risico’s.

De gemeente Bergen op Zoom kent een fors aantal grondexploitaties waaronder een tweetal
(Bergse Haven en de Markiezaten) zeer omvangrijke en risicovolle, in aanmerking nemende de grootte van Bergen op Zoom. Als raadslid heb ik ten aanzien van deze, in mijn ogen toen reeds zeer risicovolle exploitaties, de raad en het college gewezen op de risico’s en tegen deze exploitaties gestemd.

Bergen op Zoom heeft het geluk dat er ook nog enkele exploitaties lopen met goede tot zeer goede resultaten. Sommige met zelfs negatieve boekwaarden. Door winstnemingen op deze exploitaties worden feitelijk de verliezen op andere exploitaties tijdelijk gecompenseerd. De verliezen op de Bergse Haven zitten tot op heden niet in de geaggregeerde resultaten van het gemeentelijk grondbedrijf omdat deze in een andere onderneming met private partijen was ondergebracht. De voorziene verliezen in die exploitatie werden in mei 2009 al geschat op circa 45 miljoen euro. De betrokken onderneming wordt/is ontbonden. Mijn inschatting van de contracten is dat de verliezen vooral ten laste van de gemeente Bergen op Zoom zullen komen omdat de door de gemeente gekochte gronden niet meer geleverd kunnen/zullen worden aan de gezamenlijke onderneming.

Uit mijn nadere studie blijkt dat de wel beschikbare exploitatieopzetten van de gemeente Bergen op Zoom (formeel geactualiseerd) nog steeds uitgaan van bouwcijfers uit de tijd dat de exploitatieopzetten werden gemaakt. Afhankelijk van de kennis van toen 350 tot 450 woningen per jaar. De realiteit van nu is een andere (2009 – 170 woningen gerealiseerd). Dit leidt tot situaties die ronduit misleidend zijn. Als voorbeeld een zeer omvangrijke exploitatie waarvan de boekwaarde X bedraagt en de looptijd nog 8 jaar. De opbrengst van de verkoop in die exploitatie in 2009 was 1/30 X. Feitelijk minder dan de rentekosten van de boekwaarde.
De verantwoordelijke wethouder heeft in de media aangegeven dat het aantal in 2009 gerealiseerde woningen vermoedelijk maatgevend zal zijn voor de nabije toekomst.

Hierbij gaat de wethouder er tevens vanuit dat Bergen op Zoom tot 2025 een groeigemeente blijft, terwijl de Atlas voor Gemeenten 2010 aangeeft dat Bergen op Zoom tot de top 3 (onder de 50 grootste gemeenten) behoort die risico lopen op krimp. Het onderzoek waaraan gerefereerd werd gaat uit van een krimp voor Bergen op Zoom tussen 2010 en 2020 van 1,1 %. Bergen op Zoom kent een plancapaciteit van circa 7000 woningen, een absurd hoog niveau voor de voorzienbare woningbouw met alle risico’s van dien.

Mijn verzoek en aanbeveling aan uw bank is: onderzoek, alvorens tot verdere kredietverlening aan Bergen op Zoom over te gaan, nadrukkelijk de kredietwaardigheid van Bergen op Zoom. Hierbij verdienen met name de exploitaties Bergse Haven en de Markiezaten uw aandacht omdat in deze exploitaties risico’s zitten die de draagkracht van Bergen op Zoom en haar bevolking ver te boven gaan.

Vertrouwende op uw verantwoordelijkheid

Hoogachtend

L.H. van der Kallen
gemeenteraadslid namens de BSD-fractie

 


 

 

NWB BANK INZ. KREDIETVERLENING OVERHEDEN – D040

 


 

Bergen op Zoom, 27 april 2010

 

NWB Bank
T.a.v afdeling kredietbewaking
Postbus 580
2501 CN Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw,

Als gemeenteraadslid van de gemeente Bergen op Zoom wil ik met u, als één van de grotere financiële instellingen gericht op de overheid, mijn zorgen delen inzake de kredietwaardigheid van mijn gemeente. Overkreditering is niet alleen een probleem bij burgers en bedrijven, maar ook bij overheidsinstanties als gemeenten die de afgelopen jaren te ver zijn doorgeschoten in hun ambities en daardoor in het aangaan van financiële risico’s en verplichtingen. Reeds een tiental jaren heb ik bij de behandelingen van begrotingen en rekeningen gewezen op de beperkte reserves ten opzichte van de onderhavige risico’s.

De gemeente Bergen op Zoom kent een fors aantal grondexploitaties waaronder een tweetal
(Bergse Haven en de Markiezaten) zeer omvangrijke en risicovolle, in aanmerking nemende de grootte van Bergen op Zoom. Als raadslid heb ik ten aanzien van deze, in mijn ogen toen reeds zeer risicovolle exploitaties, de raad en het college gewezen op de risico’s en tegen deze exploitaties gestemd.

Bergen op Zoom heeft het geluk dat er ook nog enkele exploitaties lopen met goede tot zeer goede resultaten. Sommige met zelfs negatieve boekwaarden. Door winstnemingen op deze exploitaties worden feitelijk de verliezen op andere exploitaties tijdelijk gecompenseerd. De verliezen op de Bergse Haven zitten tot op heden niet in de geaggregeerde resultaten van het gemeentelijk grondbedrijf omdat deze in een andere onderneming met private partijen was ondergebracht. De voorziene verliezen in die exploitatie werden in mei 2009 al geschat op circa 45 miljoen euro. De betrokken onderneming wordt/is ontbonden. Mijn inschatting van de contracten is dat de verliezen vooral ten laste van de gemeente Bergen op Zoom zullen komen omdat de door de gemeente gekochte gronden niet meer geleverd kunnen/zullen worden aan de gezamenlijke onderneming.

Uit mijn nadere studie blijkt dat de wel beschikbare exploitatieopzetten van de gemeente Bergen op Zoom (formeel geactualiseerd) nog steeds uitgaan van bouwcijfers uit de tijd dat de exploitatieopzetten werden gemaakt. Afhankelijk van de kennis van toen 350 tot 450 woningen per jaar. De realiteit van nu is een andere (2009 – 170 woningen gerealiseerd). Dit leidt tot situaties die ronduit misleidend zijn. Als voorbeeld een zeer omvangrijke exploitatie waarvan de boekwaarde X bedraagt en de looptijd nog 8 jaar. De opbrengst van de verkoop in die exploitatie in 2009 was 1/30 X. Feitelijk minder dan de rentekosten van de boekwaarde.
De verantwoordelijke wethouder heeft in de media aangegeven dat het aantal in 2009 gerealiseerde woningen vermoedelijk maatgevend zal zijn voor de nabije toekomst.
Hierbij gaat de wethouder er tevens vanuit dat Bergen op Zoom tot 2025 een groeigemeente blijft, terwijl de Atlas voor Gemeenten 2010 aangeeft dat Bergen op Zoom tot de top 3 (onder de 50 grootste gemeenten) behoort die risico lopen op krimp. Het onderzoek waaraan gerefereerd werd gaat uit van een krimp voor Bergen op Zoom tussen 2010 en 2020 van 1,1 %. Bergen op Zoom kent een plancapaciteit van circa 7000 woningen, een absurd hoog niveau voor de voorzienbare woningbouw met alle risico’s van dien.

Mijn verzoek en aanbeveling aan uw bank is: onderzoek, alvorens tot verdere kredietverlening aan Bergen op Zoom over te gaan, nadrukkelijk de kredietwaardigheid van Bergen op Zoom. Hierbij verdienen met name de exploitaties Bergse Haven en de Markiezaten uw aandacht omdat in deze exploitaties risico’s zitten die de draagkracht van Bergen op Zoom en haar bevolking ver te boven gaan.

Vertrouwende op uw verantwoordelijkheid

Hoogachtend

L.H. van der Kallen
gemeenteraadslid namens de BSD-fractie

 


 

 

MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN INZ. NIEUWE GEMEENTEWET – D039

 


 

Bergen op Zoom, 26 oktober 2009
 

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Postbus 20011

2500 EA Den Haag

 

Excellentie, 

Ondergetekende is sinds 1986 gemeenteraadslid in de gemeente Bergen op Zoom. Ik heb altijd mijn controlerende rol serieus genomen en had in dat kader grote verwachtingen van de nieuwe gemeentewet (NGW). Ik tracht het duale karakter van de NGW optimaal in te vullen. Sedert mei 2005 vul ik het volksvertegenwoordiger zijn in door zomer en winter, verkiezingen of niet, met mijn praatpaal minimaal 3 á 4 maal per week een uur of meer in het centrum van Bergen op Zoom te staan om het publiek te woord te staan. Hun klachten of hun suggesties, hun gemopper of hun verzoeken tot informatie te vertalen in mijn politiek handelen. Ik ben benoemd in vele rekenkamers/rekenkamercommissies bij op dit moment 18 gemeenten. Lokaal ben ik altijd gericht geweest op controle van mijn gemeentebestuur en op de uitvoering van het beleid. Een belangrijk oogmerk van de NGW was de positie van de gemeenteraad te versterken. Naar mijn bescheiden mening is dat slechts beperkt gelukt. De praktijk is dat die bedoelde versterking nauwelijks zoden aan de dijk zet. Een voorbeeld uit de praktijk wil ik onder uw aandacht brengen in de hoop en het vertrouwen dat dit bij de evaluatie van de NGW tot verbetering kan leiden. 

Begin van de zomer werd de gemeenteraad van Bergen op Zoom geconfronteerd met ernstige tegenvallers in de grondexploitatie van het plan Bergse Haven. Een actualisatie van de exploitatieopzet wees uit dat bij een uitvoering van het oorspronkelijke plan het verlies wel eens uit zou kunnen komen op meer dan 50 miljoen euro. Voor de gemeente Bergen op Zoom een financiële ramp van ongekende omvang. Voor mij niet geheel nieuw omdat ik als enige in de gemeenteraad bij de start van dit plan tegen had gestemd met als argument dat: ‘de planopzet niet deugde en zou kunnen leiden tot ernstige verliezen c.q. een financiële ramp’.

Vanaf het moment van presentatie van de nieuwe exploitatieopzet pleitte ik voor een gedegen onderzoek middels een raadsenquête. Uiteindelijk leidde de besluitvorming in de gemeenteraad tot een onderzoeksopdracht aan de ‘Rekenkamer van West-Brabant’ (feitelijk is dit een rekenkamerfunctie) met als oogmerk later te komen tot een raadsenquête. Ik besloot zelf om als voorloper op de raadsenquête te starten met een eigen onderzoek. In dat kader heb ik in ruim honderd uur deels op het stadskantoor vele meters dossiers doorgenomen. Dit leidde onder andere tot bijgaande vragen (bijlage 1) aan het college van B&W ex. artikel 39 van het reglement van orde van de gemeenteraad van Bergen op Zoom met een begeleidende brief (bijlage 2). Het moment van het stellen van deze vragen kwam voort uit het besef dat het ‘rekenkameronderzoek’ ernstige vertraging opliep en dat deze vertraging mijn inziens verwijtbaar was aan de onderzoekers die om hun moverende redenen niet die vasthoudendheid aan de dag legden die ondergetekende wezenlijk c.q. noodzakelijk vond. Kortom ik rook een wellicht opzettelijke vertragingsactie. 

Het stellen van mijn vragen leidde er toe dat de ‘rekenkamer’ de onderzoeksopdracht terug gaf (bijlage 3) hetgeen bij mijn geachte collega’s tot de actie leidde de ‘rekenkamer’ te verzoeken het onderzoek alsnog af te maken (bijlage 4) en tot een aanvullende brief van ondergetekende aan het college van B&W (bijlage 5).  

Vervolgens berrichtte de ‘rekenkamer’ de raad onder welke voorwaarden zij het onderzoek weer ter hand zou willen nemen (bijlage 6). Een voor ondergetekende verbijsterende voorwaarde van de ‘rekenkamer’ is: “de door burgemeester en wethouders te verstrekken inhoudelijke reactie op de door raadslid van der Kallen gestelde vragen eerst en uitsluitend ter beschikking worden gesteld voor het rekenkameronderzoek.” Hier verlangde een derde dat de vragen gesteld door een raadslid “eerst en uitsluitend” aan hen beantwoord worden! Hiermede wordt feitelijk gevraagd de vragen van een raadslid te beantwoorden maar hem, de gemeenteraad en het publiek geen kennis te laten nemen van die antwoorden anders dan eventueel via de rapportage van de ‘rekenkamer’. Ik heb de raad van mijn gedachten en gevoelens ten aanzien van deze voorwaarde van de ‘rekenkamer’ per brief geïnformeerd (bijlage 7). De commissie Burger en Bestuur van de gemeenteraad van Bergen op Zoom ging op 15 oktober akkoord met de door de ‘rekenkamer’ gestelde voorwaarden, zij het dat de antwoorden van burgemeester en wethouders op de door mij gestelde vragen na aanbieding van het eventuele ‘rekenkamerrapport’ wel ter beschikking komen van de raad (bijlage 8). Tot zover de praktijk van een controle case van een raadslid. 

De NGW schiet tekort om een raadslid effectief inhoud te kunnen laten geven aan zijn controlerende taak. Artikel 155 lid 1 geeft een raadslid slechts het recht om vragen te stellen. Uitspraken van de rechtbank in Arnhem in hoger beroep, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stellen feitelijk dat een geschil over de toepassing van de informatieverplichting op politiek niveau dienen te worden uitgevochten. Met andere woorden de gemeenteraad en of een commissie van de gemeenteraad mag bepalen dat vragen van een raadslid niet beantwoord worden of later beantwoord worden dan het reglement van orde voorschrijft. In het Bergen op Zoomse voorbeeld wordt zelfs op aangeven van een zichzelf rekenkamer noemende rekenkamerfunctie besloten dat niet het raadslid, de gemeenteraad en het publiek de antwoorden ter beschikking krijgen, maar eerst als zij gegeven zijn aan een derde, in casu de ‘rekenkamer’.  Zij moeten maar minimaal drie maanden wachten op de antwoorden. 

Wat stelt het wettelijk recht van vragenstellen voor als een college waaraan de vragen zijn gericht, gesteund door een raadsmeerderheid, de vragen niet behoeft te beantwoorden? Wat is de positie van een vragenstellend raadslid als de antwoorden niet voor hem en wel voor een derde beschikbaar komen? Feitelijk kan een raadslid, die zijn controlerende taak naar eer en geweten conform de wensen van de wetgever probeert in te vullen, beperkt/belemmerd en zelfs geknecht worden door een raadsmeerderheid. Mijn conclusie: artikel 155 lid 1 is een farce! 

Mijn verzoek: vul de NGW aan met een informatieplicht van het college van B&W. 

Mijn tweede verzoek: bekijk eens of een handelswijze zoals het Bergen op Zoomse voorbeeld onmogelijk gemaakt kan worden of veroordeel deze. 

Mijn derde verzoek: besluit, eventueel middels een AMvB dat een rekenkamerfunctie zich geen rekenkamer mag noemen, noch als zodanig mag worden aangeduid.

Voor het publiek is het gebruik van de aanduiding rekenkamer voor een rekenkamerfunctie verwarend en ondermijnt een onjuiste benaming het eventuele gezag van een voor het gemeentebestuur belangrijk controlerend orgaan. 

Hoogachtend, 

L.H. van der Kallen

lid van de gemeenteraad van de gemeente Bergen op Zoom 

cc Fracties Tweede Kamer

 


 

 

LEDEN TWEEDE KAMER INZ. CONCURRENTIE – D038

 


 

Bergen op Zoom, 23 mei 2009

 

Aan de leden van de Tweede Kamer                                                                                                                                                                                                                                             per e-mail

 

Geachte leden van het parlement, 

Op 5 juli 2008 schreef ondergetekende een brief aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken inzake de wijze waarop de gemeente Bergen op Zoom omgaat met aanbestedingen van het PGB (zie bijlage PGB brief en disc RVB08-0097). Kern van deze zaak was dat de vastgestelde verordening persoongebonden budget Wsw RVB08-0097 zodanig was opgesteld dat, door de in de verordening opgenomen vereisten, slechts één leverancier voor de gemeentelijke opdrachten in aanmerking zou komen. De kern van het antwoord (scan brief min biza) was: “Het is dan ook niet ondenkbaar dat er geïnteresseerde partijen zijn die op dit moment niet actief zijn in Bergen op Zoom maar wel geïnteresseerd zijn om actief te worden.” Als concurrentie niet ‘ondenkbaar’ is, is klaarblijkelijk voldaan aan de noodzaak tot concurrentie. 

In 2008 werd middels de “verordening inkoop producten en diensten Stichting samenwerken 2008  RVB08-0013” weer een nieuwe stap gezet om aanbesteden in concurrentie te vermijden.

Na een verzoek tot vernietiging aan de Kroon van ondergetekende (bijlage verzoek tot) is deze verordening op enkele, voor het in concurrentie aanbesteden, niet relevante zaken aangepast ( RVB09-0037). Dit per verordening aanwijzen van één leverancier betreft nu leveringen in de orde van één miljoen euro per jaar. 

Bovenstaande voorbeelden van het vermijden van aanbesteden in concurrentie belemmeren een ordentelijk functioneren van de markt voor dit soort diensten en kosten de burgers van Bergen op Zoom meer geld dan nodig is voor de levering van de ingekochte diensten. 

Mogelijk is het gewenst dat (nu brieven aan de toezichthoudende instanties niet tot resultaten leiden) u als volksvertegenwoordigers deze problematiek wel die aandacht wil geven die het verdient. 

Hopende op uw inzet en vertrouwende op uw inzichten, 

met de meeste hoogachting, 

L.H. van der Kallen
Lid van de gemeenteraad van Bergen op Zoom.

 


 

 

INSPRAAKPUNT ONW INZ. INSPRAAK REACTIE – D037

 


 

Bergen op Zoom, 11 mei 2009  

 

Inspraakpunt

Ontwerp Nationaal Waterplan

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw, 

Ons Water/West-Brabant Waterbreed, een onafhankelijk samenwerkingsverband dat opkomt voor het kwalitatieve behoud en de toekomst van de Nederlandse wateren en een goed en efficiënt beheer daarvan, wenst via dit schrijven een inspraakreactie te geven op het ontwerp Nationaal Waterplan (ONW). Ter illustratie zal soms verwezen worden naar andere documenten, omdat deze ook mede onderleggers c.q. bouwstenen zijn van het ontwerp Nationaal Waterplan. 

Strategie – visie
Nederland krijgt in toenemende mate problemen met het waterbeheer. De bodem daalt in het westelijk deel. De grond klinkt bij een fors aantal bemalen percelen in. Als gevolg van klimaatveranderingen stijgt de zeespiegel en nemen neerslaghoeveelheden en neerslagintensiteiten toe. De bodemdaling is een geologisch proces dat grotendeels tot stand komt zonder menselijk ingrijpen.

De inklinking van de bemalen gronden is een proces van honderden jaren, dat mede door het peilbeheer de laatste honderd jaar is versneld. Steeds vaker zijn gronden in gebruik genomen die voor dit gebruik niet of minder geschikt waren. Dit proces gaat nog steeds door.

Het Nationaal Waterplan gaat uit van de KNMI 2006 scenario’s en de verwachtingen van de Deltacommissie voor de plausibele bovengrens op de lange termijn. Dit wordt vertaald in een Rijnafvoer van 18.000 m3/s en een Maasafvoer van 4.600 m3/s en een zeespiegelstijging tot maximaal 130 cm tot 2100. 

Wat op valt is dat, ondanks de andere benadering van het klimaatscenario dan bij de PKB/MER Ruimte voor de Rivier, de maximaal gehanteerde rivierafvoeren gelijk zijn gebleven. De onderbouwing hiervan is niet gegeven.  

Er is nagedacht over de toekomst en de houdbaarheid van het totale Nederlandse watersysteem in relatie met het huidige en toekomstige gebruik van gronden. Er is de erkenning dat de verdediging van de dijkringen 13 en 14 (grote delen van Zuid- en Noord-Holland en Utrecht) op langere termijn, bij voortzetting van het huidige beleid, moeilijker zo niet onmogelijk wordt. De risico’s nemen toe. In het besef dat de Nederlandse economie een plotseling en onvoorzien verlies van de dijkringen 13 en 14 (belangrijke economische dragers) moeilijk zo niet onmogelijk te boven kan komen, zou het voorzorgprincipe moeten leiden tot een ander beleid. Bijvoorbeeld ten aanzien van investeringen in infrastructuur en economie. Dit Nationaal Waterplan zou in deze bredere, economische, context geplaatst moeten worden. Dit is helaas niet het geval! 

Plangebied
Beperkt zich tot Nederland. Uit de tekst blijkt op geen enkele wijze hoe de Nederlandse maatregelen ter voorkoming van overstromingen aansluiten bij die van onze buurlanden. 

Ter illustratie:

Bij overstroming vanuit de Rijn in Duitsland is het zeer wel mogelijk dat het water aan de verkeerde kant van de waterkering ons land binnen komt en grote delen van het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel inundeert (tot enkele meters toe). Het betrokken waterschap beschikt over inundatie scenario’s die laten zien wat er gebeurt als Duitsland haar hoogwaterbeschermingsbeleid niet op orde zou brengen. Ook als waterkeringen in België het begeven, kunnen grote delen van Zeeuws Vlaanderen via de ‘achterdeur’ overstroomd raken. Het Nationaal Waterplan heeft de pretentie, na uitvoering, Nederland en haar bevolking tot in lengte van jaren te beschermen tegen overstromingen. Gezien het voorgaande is dit voor genoemde delen van het land, zonder afstemming en zekerstelling met België en Duitsland, niet het geval. 

Afwentelen
Bij Ons Water/West-Brabant Waterbreed ontstaat bij het lezen van het ontwerp Nationaal Waterplan het gevoel dat het principe/beginsel van ’niet afwentelen’ verlaten is of in de onderste lade van het bureau van de opstellers is verdwenen.

Reeds in de Vierde Nota waterhuishouding (1998) was er sprake van het oog hebben voor ‘afwentelen’. Als één van de criteria voor de aanpak van emissies in die Nota geldt het voorkomen van afwenteling. Dit betekent dat “behalve met de kwaliteitseisen in het eigen gebied tenminste rekening wordt gehouden met benedenstrooms gelegen watersystemen.” 

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw van professor Tielrooij (2000) schreef, in opdracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen, in haar advies de volgende uitgangspunten: “Het watersysteem moet betrouwbaar, duurzaam en bestuurbaar zijn. Water moet ook worden gezien als bondgenoot. Problemen mogen niet worden afgewenteld. Voortdurend moet de afweging worden gemaakt tussen vasthouden, bergen en afvoeren van water. En tenslotte moet water meer ruimte krijgen…. Het huidige systeem van waterbeheer kent vele mogelijkheden tot afwenteling. Te vaak leggen burgers en overheden hun problemen op het bord van de ander of sluiten de ogen voor de toekomst. De Commissie meent dat het uitgangspunt ‘niet afwentelen’ moet gelden voor het watersysteem zelf, voor de bestuurlijke verantwoordelijkheden en voor de kosten.” 

Ook in de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG) was sprake van aandacht voor de risico’s van afwentelingsgedrag. Zo luidt artikel 4 lid 8: “Bij toepassing van de leden 3, 4, 5, 6 en 7 dragen de lidstaten er zorg voor dat zulks het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn in andere waterlichamen in hetzelfde stroomgebieddistrict niet blijvend verhindert of in gevaar brengt” 

In bijlage 1 van het Nationaal Bestuurakkoord Water (NBW) ondertekend op 2 juli 2003, herbevestigd in het NBW-actueel is te lezen: “Het waterbeleid van de 21e eeuw is gebaseerd op het principe van niet-afwentelen (bestuurlijk, financieel en geografisch, in de tijd en op elk schaalniveau).” 

In de hoogwaterrichtlijn (Richtlijn 2007/60/EG) luidt artikel 7.4: “In het belang van de solidariteit mogen overstromingsrisicobeheerplannen die in een lidstaat worden opgesteld geen maatregelen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere landen in hetzelfde stroomgebied of deelstroomgebied, tenzij deze maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten in het kader van artikel 8 een overeengekomen oplossing bereikt werd.” 

Het beginsel van ‘niet afwentelen’ van waterproblemen is nationaal en internationaal op veel manieren vastgelegd. Toch moet Ons Water/West-Brabant Waterbreed constateren dat in het voorliggende ontwerp Nationaal Waterplan afwentelen vaak ‘de oplossing’ is van vele problemen. 

Van Dale verstaat onder afwentelen (in figuurlijke betekenis): “een last overdragen op anderen”.

In een artikel in H2O (17-2006) gebruikte de auteurs (Paul Baan en Frans Klijn) de volgende werkdefinitie: “Het veroorzaken of verergeren van problemen in andere waterbeheersgebieden door activiteiten in het eigen watergebied.” Ons Water/West-Brabant Waterbreed vindt dit een bruikbare werkdefinitie. Wij vinden, in dit kader aanvullend, dat het opzettelijk niet ontwikkelen van eigen oplossingen voor eigen problemen ook onder het begrip afwentelen gevat kan worden.  

Voorbeeld IJsselmeer e.o.
Wat zijn de gevolgen voor andere gebieden door de volgende voornemens? 

–         Pagina 7/8 (ONW): “In het Markermeer-IJmeer biedt dit ook mogelijkheden voor beperkte buitendijkse bebouwingruimte….. Het verlies aan waterbergingscapaciteit als gevolg van de buitendijkse ontwikkelingen hoeft niet te worden gecompenseerd.”

–         Pagina 159 (ONW): “Als uitzondering op wat is vastgelegd in de Nota Ruimte hoeft voor deze beschikbaar gestelde ruimte (buitendijkse ontwikkelingen in het IJsselmeergebied) het verlies aan waterbergend vermogen niet te worden gecompenseerd.” 

–         Pagina 159 (ONW): “Ook neemt het kabinet een principebesluit over grootschalige buitendijkse ontwikkeling bij Almere.”

–         Pagina 162 (ONW): “Grootschalige buitendijkse bebouwing is alleen mogelijk in het zuidelijk deel van het IJsselmeergebied, in de gemeenten Amsterdam, Almere en Lelystad. Deze gemeenten krijgen respectievelijk 350 ha, 700 ha en 150 ha ruimte voor nieuwe buitendijkse bebouwing.” 

Om het bovenstaande mogelijk te maken en Noord en West Nederland van zoet water te voorzien worden onder andere het Markermeer-IJmeer en de Veluwerandmeren losgekoppeld van het IJsselmeer. Dit betekent dat om dezelfde hoeveelheid zoet water te bergen, als zomervoorraad voor de droogtebestrijding, het peil op het IJsselmeer niet met circa 1,1 meter maar met circa 1,5 meter uiteindelijk verhoogd moet worden (zie ook pagina 27, Ontwerp Beleidsnota IJsselmeergebied (OBIJ)). 

Ondanks aanbeveling 2 van de Deltacommissie (“De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige locaties moet gebaseerd zijn op een kosten-batenanalyse. Hierin moeten  huidige en toekomstige kosten voor alle partijen zijn berekend. De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan profiteren.”) gaan Amsterdam, Almere en Lelystad niet de extra kosten door de extra verhoging van het IJsselmeer dragen. Noch gaan ze, als in de toekomst blijkt dat ook de waterbergingscapaciteit van het Markermeer-IJmeer alsnog nodig is, die kosten dragen. 

Dat de totale samenleving de kosten gaat dragen van de initiële verhoging van het IJsselmeer ten behoeve van de zoetwatervoorziening is logisch. Het meerdere is een subsidie van het Rijk en de andere overheden aan de drie genoemde gemeenten. 

Voorbeeld Rijnmond e.o.
Wat zijn de gevolgen voor andere gebieden door de volgende voornemens? 

–         Pagina 29 (ONW): “De combinatie van zeespiegelstijging en toename in de piekafvoeren van de grote rivieren in het benedenrivierengebied wordt het hoofd geboden met een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond en het afvoeren van piekafvoeren van de Rijn en Maas via de Zuidwestelijke Delta.”

–         Pagina 149 (ONW); Het rijk zal, in navolging van de kabinetsreactie op het advies van de Deltacommissie, samen met andere overheden onderzoek doen naar een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond, waarbij voor- en nadelen zorgvuldig in beeld worden gebracht. Deze keringen kunnen zowel open als dicht staan en zullen het Rijnmondgebied bij hoogwater kunnen afsluiten en de zouttong in de Nieuwe Waterweg terugdringen. Zo kan het Rijnmondgebied veiligheid worden geboden en tegelijk een aantrekkelijk stadsfront en natuurontwikkeling worden gerealiseerd.” Geen woord over waar het water dan naar toe gaat en de gevolgen daarvan. Ook in het artikel over dit onderzoek in het magazine “De Water”, (maart 2009) uitgegeven door het Directoraat-generaal Water van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in samenwerking met de

–         uitvoeringsorganisatie NBW, wordt wel gerept over de wijze van afvoer maar niet dat het onderzoek de gevolgen op de ontvangende wateren gaat onderzoeken.

–         Pagina 71 (ONW): “Urban Flood Management Dordrecht….Aantrekkelijk buitendijks woongebied…. De gemeente Dordrecht is voornemens om op deze wijze zo’n 1000 woningen buitendijks te gaan ontwikkelen.” 

Hoe logisch zijn deze plannen rond Dordrecht en Rotterdam? Een aantal citaten uit de notitie “Van Lobith en Eijsden naar zee” van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat wil Ons Water/West-Brabant Waterbreed in dit kader memoreren:

–         “Om de waterstand daarbij op hetzelfde niveau te houden en dus van dijkverhoging af te kunnen zien zal het rivierbed verruimd moeten worden, door bijvoorbeeld uiterwaarden te verlagen of dijken te verleggen.”

–         “Tekort aan ruimte is vooral op de Waal en Merwede’s te verwachten.”

–         “In de PKB is, zowel voor de korte als lange termijn, er voor gekozen om met rivierverruiming de afvoer richting Nieuwe Merwede (‘naar het zuiden’) te stimuleren. De Beneden Merwede wordt ontzien om de omgeving van Dordrecht,  waar de situatie al kritiek is, niet onnodig te belasten.”

–         “Dit betekent dat op de lange termijn zomerbedverdieping op de Boven en Nieuwe Merwede toch aan het PKB maatregelenpakket moet worden toegevoegd.”

–         “Ruimte voor andere ontwikkelingen zoals in de ruimtelijke ordening (woningbouw) lijkt moeilijk in het rivierengebied te vinden.” 

Ondanks de (bergings)problemen met water bouwen Rotterdam en Dordrecht al jaren buitendijks en gaan er gewoon mee door. Daarmee anderen belastend met hun waterproblemen. Het verleden neemt geen keer, maar de toekomst kan gekeerd worden! 

Als voorbeeld de Dordtse besluiten.
Dordrecht heeft mooie ‘Dordtse’ plannen “de nieuwe Dordtse Biesbosch” in de Dordtse buitendijkse gebieden. Door middel van een presentatie van een medewerkerster van Dordrecht op een bijeenkomst in Goes, op 13 maart 2009, werd de inhoud van de ‘Dordtse’ plannen uit de doeken gedaan. ‘De nieuwe bouwlocaties aan de rivier konden zorgen voor een stevige verhoging van de WOZ waarden! Bouwen in mooi gebied was goed voor het vestigingsimago! Net als voor Rotterdam was bouwen in het buitendijkse gebied, bouwen voor de bovenkant van de markt! De relatie met de rivier voegt gevraagde kwaliteit toe! Dit waren o.a. de stellingen. Bouwen buitendijks was veiliger dan bouwen binnendijks! Buitendijks zou het water bij hoog water hooguit tot je knieën komen. Binnendijks was het risico groot dat je tot boven je kruin in het water kwam te staan. Vreemd genoeg niets over het bergen van het water. Een meestromende nevengeul, in het kader van Ruimte voor de Rivier, was zelfs geschrapt. 35 miljoen rijksgeld voor Dordtse buitendijks plannen. Rijksgeld voor beleid dat in strijd is met het formele rijksbeleid! Kan Dordrecht dan geen water bergen? Zeker wel. Maar zij leggen liever een 1200 hectaren grote bouwlocatie annex recreatieterrein aan dan deze gebieden te gebruiken om rivierwater te bergen. Makkelijker is het grote delen van West-Brabant onder water te zetten als het water geborgen wordt in het Volkerak-Zoommeer. Iedere hydroloog weet te vertellen dat, als je het waterpeil ter plaatse wilt verlagen, je in de buurt dan het water moet bergen. Dit zou heel goed in grote delen van de Sliedrechtse, Dordtse en Hollandse Biesbosch met meer effect kunnen. Maar Dordrecht kiest daar niet voor. Iedere gemeente mag binnen haar eigen autonomie haar eigen keuzen maken. Maar hadden we in het Nationaal Bestuursakkoord nu niet afgesproken dat we niet af zouden wentelen? 

Dordrecht kan over deze plannen haar eigen keuzen maken, omdat het “Eiland van Dordrecht” ook grotendeels van de gemeente Dordrecht is. Terwijl bijna overal elders de uiterwaarden en buitendijkse gebieden van Rijkswaterstaat zijn of van Staatsbosbeheer. Dat het Rijk hier 35 miljoen aan bijdraagt, maakt eens te meer duidelijk dat Noord-Brabant nog steeds gezien wordt als Generaliteitsland. Dordtse problemen mogen/moeten wij volgens het Rijk oplossen. Dordrecht bouwt liever voor de eigen welvaart en de rijken, dan rekening te houden met haar buren. Die mogen wel via de rijksbelastingen mee betalen aan het veroorzaken van de wateroverlast die hen via de bergingsplannen op het Volkerak-Zoommeer.

Oorspronkelijk wilde Rijkswaterstaat wat anders. Zo is op te maken uit het volgende citaat uit het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010-2015 – ontwerp Programma Zuidwestelijke Delta, pagina 61: “De voorgestelde maatregel om voor de Dordtse Biesbosch en Nieuwe Merwede de vloedvlakte te vergroten (Polder Biesbosch), is afgevallen vanwege significante schade als gevolg van gedwongen functieveranderingen van gronden die geen eigendom zijn van het Rijk of een natuurbeherende organisatie.” Voor de eigen veiligheid had de gemeente Dordrecht het niet over om circa 500 hectare landbouwgrond, die zij in eigendom hebben en verpachten, voor waterberging in te richten. Dat zou Dordrecht inkomsten schelen. Afwentelen was voor Dordrecht goedkoper. Dordts eigen belang honoreert het Rijk met een subsidie van miljoenen en wie draaien er voor de kosten op? Het ergste is dat met dit beleid de bergingsruimte voor de toekomst ook wordt volgebouwd. 

In de PKB 1/RvR was de goede oplossing al te lezen: “Een duurzame veiligheid in het dichtbevolkte Rijnmond en het Drechtstedengebied wordt gewaarborgd door het maximaal vergroten van de bergingscapaciteit van het Rijn-Maas-mondingsgebied” (pag. 47 PKB1/RvR). 

De gevolgen van een mogelijke berging van 2 meter water in het Volkerak-Zoommeer:

–         problemen met de afwatering van de rivieren van West-Brabant

–         problemen met de lozingen via de gemalen en de RWZI’s (opvoerhoogte) in West-Brabant, Goeree-Overflakkee, Tholen, Sint Philipsland

–          scheepvaartproblemen (doorvaarthoogten Schelde-Rijnverbinding)

–         het onderlopen van alle natuurgebieden (verdrinken o.a. van grote zoogdieren)

–         onderlopen van huizen op de kade bij Tholen

–          belemmeringen uitbreidingsplannen van Bergen op Zoom (Bergse Haven)

–         noodzaak tot aanpassing van alle beroeps- en recreatie havens

–         mogelijke toename van de kweldruk in West-Brabant en op de Zeeuwse eilanden. 

Goeree-Overflakkee, Tholen, Sint Philipsland en West-Brabant krijgen de rekening voor de Rotterdamse en Dordtse bouwdrang in buitendijkse gebieden en het Rijk kijkt er naar en doet niets. Het ONW barst van de goede voornemens tegen buitendijks bouwen en afwenteling. 

Een bloemlezing uit het ONW:

–         Pagina 14 (aanbeveling Deltacommissie): “Nieuwe ontwikkeling in buitendijkse gebieden mogen niet belemmerend werken voor rivieren en meren. Bewoners/gebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor maatregelen die de gevolgen beperken.”

–         Pagina 41: “Voor buitendijkse gebieden, als onderdeel van de ruimtelijke hoofdstructuur, gelden geen wettelijke normen voor de bescherming tegen water. De gebieden zijn primair bedoeld voor afvoeren en bergen van het water.”

–         Pagina 44: “De risico’s en kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag worden afgewenteld, maar gedragen worden door diegenen die ervan profiteren.”

–         Pagina 66: “De buitendijkse gebieden vervullen primair een afvoer- en bergingsfunctie voor water ten behoeve van de veiligheid van het achterland.”

–         Pagina 69: “Om waterkeringen in de toekomst te kunnen versterken, is het kabinet van mening dat er ruimte open gehouden moet worden langs de waterkeringen in de vorm van beschermingszones, zoals vastgelegd in de legger van waterschappen.”

–         Pagina 69: “Meerlaagsveiligheid wordt opgebouwd in drie lagen: l Preventie als primaire pijler van beleid; 2 Duurzame ruimtelijke planning; 3 Rampenbeheersing op orde krijgen en houden.”

–         Pagina 139: “Uitgangspunt blijft daarbij onverkort het behouden van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit voor de rivier.”

–         Pagina 141: “Het uitgangspunt is dat de overige extra afvoercapaciteit gerealiseerd kan worden door buitendijkse maatregelen te treffen, zonder deze maatregelen expliciet te benoemen. Om de verwachte hogere afvoeren veilig af te kunnen voeren is echter onder deze voorwaarde vrijwel alle beschikbare buitendijkse ruimte in het bovenrivierengebied nodig voor de veiligheid”

–         Pagina 143: “Ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierengebied anticiperen daarbij op de lange termijn verwachtingen door projecten in één keer goed te doen en gebiedsontwikkeling te combineren met rivierverruiming voor de lange termijn.”

–         Pagina 144: “De benodigde buitendijkse en (eventuele) binnendijkse gronden dienen ruimtelijk te worden gereserveerd en gronden worden zonodig aangekocht.”

–         Pagina 160: “In de Nota Ruimte zijn voor de primaire waterkeringen ruime beschermingszones opgenomen.”

–         Pagina 37 (OBIJ): “Als voorwaarde voor alle buitendijkse ontwikkelingen geldt dat ze moeten passen binnen de natuurwetgeving en dat het functioneren van watersystemen nu en in de toekomst niet worden belemmerd.”

De bloemlezing laat zien dat er in het ONW en haar bijlagen veel woorden besteed worden aan de noodzaak niet buitendijks te bouwen. Toch staat het rijk keer op keer toe dat gemeenten bouwen op plaatsen die bestemd zouden moeten worden voor ruimte voor de rivier en voor waterberging. Daarmee stellen ze de waterbeheerders voor voldongen feiten en wentelen ze nog steeds kosteloos de lasten en de kosten af op anderen zoals de waterbeheerders, burgers en bedrijven die wonen en werken langs bijvoorbeeld het IJsselmeer en het Volkerak-Zoommeer. 

Ons Water/West-Brabant Waterbreed vindt dit geen goede ontwikkeling en een aanslag op de toekomst en de geloofwaardigheid van rijksvoornemens, zoals verwoord in het ONW. Maak het ONW consistent en stop buitendijkse ontwikkelingen. 

Zoetwaterverdeling
Op pagina 6 (ONW) is vermeld: “De hoofdsporen van deze nieuwe strategie zijn een grotere regionale zelfvoorzienendheid en een optimalisatie van de zoetwaterverdeling in het hoofdwatersysteem en de regionale systemen.” Dit klinkt Ons Water/West-Brabant Waterbreed als muziek in de oren. Voor ons betekent deze zin dat gekeken gaat worden hoe het gat/lek dat de naam draagt van De Nieuwe Waterweg gedicht gaat worden en wel op de kortst mogelijke termijn. Maak nu reeds, en niet pas na 2050, een sluisvoorziening die bij geringe rivierafvoeren gebruikt kan gaan worden en gebruik rivierwater om ook andere wateren, bij voldoende afvoer, zomer en winter door te spoelen. Overweeg het sluiten van ‘de kier’ in de Haringvlietsluizen en de mogelijkheid van een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee. Dat kan een oplossing zijn en kan in de Grevelingen een estuariene zoet-zout-overgang laten ontstaan. Dan stromen meer wateren door en krijgt de Grevelingen en de Oosterschelde de nutriënten om de kraamkamers te worden en te blijven van de Delta. 

‘Afsluitbaar open Rijmond’
Op pagina 7 (ONW) is vermeld: “In navolging van het advies van de Deltacommissie, zal het rijk samen met andere overheden onderzoek doen naar een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond.”

Betrek daar ook bij de overheden, die belanghebbend zijn bij de ontvangende benedenstroomse wateren. 

Voldoende bergingscapaciteit
Op pagina 8 (ONW) is vermeld: “Het Noordelijk Deltabekken en het Volkerak-Zoommeer zullen voldoende capaciteit voor afvoer en berging moeten bieden om de toename van de afvoer van de grote rivieren te kunnen verwerken.” Koppel het Markermeer-IJmeer niet van het IJsselmeer af. Gebruik het gehele voormalige Zuiderzee systeem voor de waterberging. Dat verdeelt de lasten eerlijker.

Gebruik buiten het Volkerak-Zoommeer systeem ook de Grevelingen voor de berging bij grote afvoeren (zoals aangeven op kaart 23 pagina 179, ONW en in aanbeveling 8 van de Deltacommissie). Dit maakt de problemen voor het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk kleiner. Als daarbij een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee wordt gemaakt kunnen meerdere problemen tot een oplossing komen. 

Beschermingszones
Op pagina 43 (ONW) is vermeld: “Het huidige juridische instrumentarium (voor het hoofdwatersysteem) biedt voldoende mogelijkheden om ruimtelijke reserveringen voor tien jaar of langer te kunnen maken.” “Voor het kustfundament geldt bijvoorbeeld een beschermingszone voor mogelijke versterkingen in de komende tweehonderd jaar.” 

Op pagina 39 (OBIJ) is vermeld: “In de Nota Ruimte is een beleidsuitspraak opgenomen over de 275 meter brede beschermingszone rond primaire waterkeringen – een zone van 100 m landinwaarts en een zone van 175 m buitendijks – waarbinnen in principe geen bebouwing mag plaatsvinden. Deze beschermingszone is ingesteld met het oog op mogelijke toekomstige dijkversterkingen.”

Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is het van de gekken dat voor buitendijkse gebieden feitelijk gekeken wordt naar de korte termijn (zie de bouwwoede van bijvoorbeeld Rotterdam en Dordrecht) en voor de kust terecht een beschermingszone wordt gehanteerd voor de lange termijn (200 jaar). 

Het wordt tijd dat ook voor de bescherming tegen rivierwater op planologische harde wijze ruimte wordt gereserveerd (voorberging en afvoer) gericht op de lange termijn van bijvoorbeeld 200 jaar. Anders blijven gemeenten RWS en waterschappen voor voldongen feiten stellen en feitelijk afwentelen op anderen. Een beleidsuitspraak zonder wettelijke verankering werkt niet, zo blijkt.

Ons Water/West-Brabant Waterbreed heeft met instemming kennis genomen van de aangekondigde verkenning naar de wijze waarop kosten-baten- en risicoanalyses moeten worden uitgevoerd bij nieuwbouwactiviteiten op fysisch ongunstige locaties (pagina 46, ONW). Hierbij vragen wij ook de kosten van anderen, zowel beneden- als bovenstrooms, te betrekken, die zij ook in de verre toekomst moeten maken als gevolg van deze nieuwbouwactiviteiten. 

Peilhandhaving Brabantse kanalen/zoetwatervoorziening
Op de kaart afgebeeld op pagina 84 (ONW) is aangegeven dat ‘peilhandhaving op de Brabantse kanalen moeilijk wordt’. Nergens in het ONW is op dit thema en de mogelijke maatregelen ingegaan. Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is dit een belangrijk thema aangezien bij een mogelijke alternatieve zoetwatervoorziening, bij verzilting van het Volkerak-Zoommeer systeem, deze kanalen een belangrijke leverancier van zoet water zouden moeten zijn.

Met instemming hebben wij op pagina 88 (ONW) kennisgenomen van de tekst: “Ook zal worden bekeken in hoeverre bestaande zoetwaterbekkens in de Zuidwestelijke Delta behouden kunnen worden en hoe de zoetwatervoorziening kan worden gecompenseerd als deze als gevolg van het herstel van de zoet-zoutgradiënt verdwijnen.” Wat ons echter steekt is de tekst op pagina 91 (ONW) met betrekking tot de “Reële prijsbepaling zoetwatervoorziening”. Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is het uitgangspunt dat diegenen, die besluiten nemen die kosten veroorzaken voor anderen, die door hen veroorzaakte kosten volledig dragen. Ook kan het niet zo zijn dat boeren in Zeeland en West-Brabant voor behoud van bestaande zoetwaterrechten, waarvoor in het verleden door hen is geïnvesteerd, zouden moeten gaan betalen, terwijl boeren elders (de Randstad) voor nieuwe voorzieningen niets hoeven te betalen. 

Financiering groenblauwe diensten
Met instemming heeft Ons Water/West-Brabant Waterbreed kennis genomen van het kabinetsstandpunt weergegeven in ‘Health check Gemeenschappelijk Landbouw Beleid’ dat Europese inkomenstoeslagen sterker gekoppeld dienen te worden aan het realiseren van maatschappelijke waarden, zoals het instandhouden van landschap, natuur, een vitaal platteland, duurzaam waterbeheer en de zorg voor milieu en dierenwelzijn (pagina 107, ONW). Hopelijk kan op deze wijze inhoud gegeven worden aan een rechtvaardiger financiering van door boeren geleverde groenblauwe diensten. 

Functioneel aanbesteden
Wat is in het kader van de vermelding op pagina 135 (ONW) “ functioneel aanbesteden”? 

Ontwerp Beleidsnota Waterveiligheid (OBW)
Met interesse heeft Ons Water/West-Brabant Waterbreed kennis genomen van het kabinetsvoornemen erop in te zetten dat provincies en gemeenten bij de ruimtelijke inrichting expliciet gaan afwegen of het nodig en wenselijk is de gevolgen van een overstroming (aantal slachtoffers, economische schade en ecologische schade) te beperken. Met name met als oogmerk te komen, in gezamenlijkheid met provincies, gemeenten en waterschappen, tot de ontwikkeling van overstromingsrisicozonering (pagina 28 OBW). Wij hopen dat dit zal leiden tot een ander beleid. Zeker als het gaat over: waar willen wij als land nog woningbouw en bedrijfsvestigingen stimuleren en deze met de aanleg van infrastructuur ondersteunen? Er is meer Nederland dan alleen de Randstad! 

Verzilting
Ons Water/West-Brabant Waterbreed onderschrijft de stelling op pagina 22 (OBIJ); “Ook het beoogde herstel van de zoet-zout-gradiënt in de Zuid-Westelijke Delta genereert extra vraag naar zoet water.”

Uit het gehele ONW inclusief de bijlagen spreekt een aanvaarding van de verzilting als een feit waaraan niet te ontkomen valt.

Leggen we het hoofd in de schoot en accepteren we de giga economische schades als gevolg  van de verzilting of zoeken we naar alternatieven die de beschikbaarheid van voldoende zoet water garanderen? Beseffen we voldoende welke industrieën en land- en tuinbouwgebieden om zeep geholpen worden door de acceptatie van de verzilting.

Bezint eer gij begint met maatregelen die grote, niet te overziene, gevolgen hebben voor onze land- en tuinbouw, drinkwatervoorziening en industrie en daarmee voor het economisch fundament van onze samenleving.

Bekijk of andere, meer duurzame, oplossingen alternatieven bieden en tegelijkertijd de zoetwatervoorziening voor alle belanghebbenden zekerstellen.

Geen uitvoering van het Kierbesluit en geen verzilting van huidige zoete deltawateren.

Pak het ‘lek’ op de Nieuwe Waterweg aan. 

Maak nu reeds, en niet pas na 2050, een sluisvoorziening die bij geringe rivierafvoeren gebruikt kan gaan worden en gebruik rivierwater om ook andere wateren, bij voldoende afvoer, zomer en winter door te spoelen.

Overweeg of een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee een oplossing kan zijn om in de Grevelingen een estuariene zoet-zout-overgang te laten ontstaan. Dan stromen meer wateren door en krijgt de Grevelingen en de Oosterschelde de nutriënten om de kraamkamers te worden en te blijven van de Delta. 

Vertrouwende op een serieuze behandeling van onze reactie. 

Hoogachtend,

Namens de fractie Ons Water/West-Brabant Waterbreed 

H.J.M. Poppelaars 

L.H. van der Kallen

voor nadere informatie 0164-265158                                              

 


 

 

LEDEN TWEEDE KAMER INZ. ADRESSEN – D036

 


 

Bergen op Zoom, 27 april 2009

 

Aan de leden van de Tweede Kamer  

per e-mail

 

Geachte leden van het parlement, 

Op 8 januari j.l. hebben in alle waterschappen de nieuw gekozen bestuursleden hun functie aanvaard. Heden (27 april 2009), bijna 16 weken na hun beëdiging tot volksvertegenwoordiger, is er op de websites van vijf waterschappen (de Dommel, Groot Salland, Peel en Maasvallei, Reest en Wieden en de Regge en Dinkel) buiten hun naam en eventueel woonplaats, geen enkel adresgegeven geplaatst. Geen huis/postadres. Geen telefoonnummer, noch een emailadres. Emails (in februari) van ondergetekende naar de betrokken waterschappen, hebben niet geleid tot verbetering van de bereikbaarheid van de bij genoemde waterschappen betrokken volksvertegenwoordigers.

Mijn beroep op u, als volksvertegenwoordiger, om te bewerkstelligen dat alle gekozen volksvertegenwoordigers door diegenen die zij vertegenwoordigen eenvoudig b.v. via telefoon, post en/of email benaderd kunnen worden. 

Hopende op uw inzet en vertrouwende op uw inzichten, 

met de meeste hoogachting, 

L.H. van der Kallen

 


 

 

FRACTIES PROVINCIALE STATEN INZ. CRISIS – D034

 


 

Bergen op Zoom, 18 februari 2009

 

Aan de fracties van Provinciale Staten van

Noord-Brabant

per e-mail

 

Geachte Statenleden, 

Nu de financieel/economische crisis zich van haar slechtste kant laat zien, voelen veel volksvertegenwoordigers, op alle niveaus in onze democratie, zich geroepen om ook de inzet te vragen van hun bestuursorgaan om zich in te zetten voor aanvullende activiteiten ten behoeve van het behoud van de bedrijven en de daarmee verbonden werkgelegenheid.

Voor gemeenten en waterschappen zijn de mogelijkheden vrijwel nul, omdat zij dienen te blijven binnen de wet en regelgeving die bepaalt dat zij sluitende begrotingen dienen na te streven. Dit betekent dat extra uitgaven nu onherroepelijk leiden tot stijging van de door hen gehanteerde (belasting)tarieven, terwijl de economische theorieën aangeven dat in tijden van economische crises het verhogen van belastingen onwenselijk is. De spagaat van de waterschappen is nog erger. De afgelopen jaren is er een stortvloed van regelgeving tot stand gekomen (o.a. kaderrichtlijn water (KRW), provinciale waterhuishoudingsplannen (WHP), nationaal bestuursakkoord water (NBW)) die hebben geleid tot tal van plannen die nu uitgevoerd moeten worden. Voor de meeste waterschappen betekent dit dat de komende vier tot tien jaren bij uitvoering van die plannen de gemiddelde tarieven 2 tot 4 % meer moeten stijgen dan de inflatie. Gezien de huidige financieel/economische crisis lijkt dat onwenselijk. 

Wat te doen? Plannen niet uitvoeren om de tarieven minder hard te laten stijgen? Dan handelen de waterschappen mogelijk deels in strijd met het huidige door hogere overheden gestelde beleid c.q. worden de doelen (KRW) mogelijk niet tijdig bereikt. De plannen versneld uitvoeren met als gevolg een enorme stijging van de tarieven? 

Ten aanzien van deze afweging doet ondergetekende een beroep op de politieke vindingrijkheid van onze Statent. Hierbij neem ik de vrijheid een aantal opties te noemen.

–         Verander de uw wetgeving en streef de wijzigingen na op nationaal niveau zodat ook de lagere overheden (incidenteel of tijdelijk) met een begrotingstekort mogen werken. Dan wordt anticyclisch investeren ook voor de lagere overheden haalbaar.

–         Maak temporisering van de uitvoering van mede uw wet en regelgeving (b.v. KRW, NBW, WHP) mogelijk c.q. toelaatbaar.

–         Stel, in tijden zoals nu, extra middelen ter beschikking van gemeenten en waterschappen middels 100% subsidies om versneld die werken uit te voeren die de (regionale)werkgelegenheid overeind houden, de waterdoelen sneller realiseren en de lokale economie, b.v. toerisme en recreatie bevorderen. 

Hopende op uw inzet en vertrouwende op uw inzichten, 

met de meeste hoogachting, 

L.H. van der Kallen

 


 

 

LEDEN TWEEDE KAMER INZ. CRISIS – D035

 


 

Bergen op Zoom, 18 februari 2009

 

Aan de leden van de Tweede Kamer

per email

 

Geachte leden van het parlement, 

Nu de financieel/economische crisis zich van haar slechtste kant laat zien, voelen veel volksvertegenwoordigers, op alle niveaus in onze democratie, zich geroepen om ook de inzet te vragen van hun bestuursorgaan om zich in te zetten voor aanvullende activiteiten ten behoeve van het behoud van de bedrijven en de daarmee verbonden werkgelegenheid.

Voor gemeenten en waterschappen zijn de mogelijkheden vrijwel nul, omdat zij dienen te blijven binnen de wet en regelgeving die bepaalt dat zij sluitende begrotingen dienen na te streven. Dit betekent dat extra uitgaven nu onherroepelijk leiden tot stijging van de door hen gehanteerde (belasting)tarieven, terwijl de economische theorieën aangeven dat in tijden van economische crises het verhogen van belastingen onwenselijk is. De spagaat van de waterschappen is nog erger. De afgelopen jaren is er een stortvloed van regelgeving tot stand gekomen (o.a. kaderrichtlijn water (KRW), provinciale waterhuishoudingsplannen (WHP), nationaal bestuursakkoord water (NBW)) die hebben geleid tot tal van plannen die nu uitgevoerd moeten worden. Voor de meeste waterschappen betekent dit dat de komende vier tot tien jaren bij uitvoering van die plannen de gemiddelde tarieven 2 tot 4 % meer moeten stijgen dan de inflatie. Gezien de huidige financieel/economische crisis lijkt dat onwenselijk. 

Wat te doen? Plannen niet uitvoeren om de tarieven minder hard te laten stijgen? Dan handelen de waterschappen mogelijk deels in strijd met het huidige door hogere overheden gestelde beleid c.q. worden de doelen (KRW) mogelijk niet tijdig bereikt. De plannen versneld uitvoeren met als gevolg een enorme stijging van de tarieven? 

Ten aanzien van deze afweging doet ondergetekende een beroep op de politieke vindingrijkheid van ons parlement. Hierbij neem ik de vrijheid een aantal opties te noemen.

–         Verander de wetgeving zodat ook de lagere overheden (incidenteel of tijdelijk) met een begrotingstekort mogen werken. Dan wordt anticyclisch investeren ook voor de lagere overheden haalbaar.

–         Maak temporisering van de uitvoering van wet en regelgeving (b.v. KRW, NBW, WHP) mogelijk c.q. toelaatbaar.

–         Stel, in tijden zoals nu, extra middelen ter beschikking van de lagere overheden middels 100% subsidies om versneld die werken uit te voeren die de (regionale)werkgelegenheid overeind houden, de waterdoelen sneller realiseren en de lokale economie, b.v. toerisme en recreatie bevorderen. 

Hopende op uw inzet en vertrouwende op uw inzichten, 

met de meeste hoogachting, 

L.H. van der Kallen

Lid van het dagelijks bestuur waterschap Brabantse Delta en de gemeenteraad van Bergen op Zoom