RICKY DINKELBERG – DE KEET

 

    


| 26-07-2020 |

 

Aan het College van Burgemeester en Wethouders
der Gemeente Bergen op Zoom
Postbus 35
4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft: Artikel 36 vragen over de Keet (kenmerk LVDK 20040)

 

Geacht College,

 

Gisteren, zaterdag 25 juli 2020, was in BNdeStem de kop te lezen “Ricky Dinkelberg stopt met de Keet”. Een kop waarvan ik jaren dacht dat ik die nooit zou lezen. Ik verwachtte veel eerder een kop: ’Ricky Dinkelberg kreeg de versierselen behorende bij koninklijke onderscheiding opgespeld door burgervader Petter’. Of ‘Ricky Dinkelberg ontving de erepenning van de gemeente Bergen op Zoom’. Waarom waren die koppen mijn verwachting? Omdat Ricky zo’n krantenkop verdient voor een jarenlang menslievend hulpbetoon aan tal van buurtgenoten. Wat ik las in het BN bericht was niet de Ricky die ik al jaren ken. Ik ken Ricky al vele jaren en afgelopen vrijdagochtend had ik haar gesproken. Binnen 24 uur kreeg ik namelijk van vijf verschillende mensen een bericht dat het niet goed ging met Ricky, voor mij alle reden om even aan te lopen. De Keet was haar levenswerk! Niet het gebouwtje maar wat daar en op het speelterrein gebeurde. Het was haar vervulling van haar vaders leven en werken. Iets doen voor de ‘ander’ en de samenleving. Een ontmoetingsplek waar voor iedereen plaats zou zijn. Samenwerken was in haar ziel gebrand. En samenwerken met vrijwilligers deed ze. Kinderen een veilige speelomgeving bieden. Haar buurt netjes houden. Culturen met elkaar laten praten en werken. Bemiddelen. Mensen (nieuwkomers/vluchtelingen) wegwijs maken in de voor hen vreemde Nederlandse cultuur, uitleggen hoe het in Nederland werkt. Dolende zielen een troostend woord bieden en een arm om uit te huilen. Geestelijke bijstand op ‘Ricky’s’ manier. De menselijke manier. Zij nam menig professionele zorginstelling het werk uit handen en gaf op haar manier de samenleving en de leefbaarheid in een complexe volkswijk vorm. Een volksvrouw met een hart van goud.

Wat is er gebeurd om haar over de kling te jagen? Het gevoel niet de medewerking te krijgen die nodig was. Langzaam de geldelijke erfenis van haar vader zien opraken en tal van instanties ervaren als horende doof. Bureaucratische werkwijzen en procedures die feitelijk blijken blokkades op te werpen op momenten dat het niet kan. Bij de één gaat het om mensen bij de ander lijkt het te gaan om regeltjes. Diep in het hart heeft ieder mens, dus ook een ‘wondervrouw’ als Ricky, behoefte aan waardering, erkenning en vertrouwen.

Het gaat niet alleen om het gebrek aan medewerking en vertrouwen door representanten van een volkshuisvester als Stadlander maar ook om de rol van een gemeente die onrust zaait. Voor Ricky en haar vrijwilligers is een gemeente die begint over een benodigde vergunning over iets wat al jaren functioneert iets beangstigend. Ervaren tegenwerking zuigt ook een wondervrouw als Ricky leeg. Haar laatste woorden in het artikel waren: “Ik ben er helemaal klaar mee”.

Dat is niet de Ricky die ik ken. Het geeft wel aan hoe moe ze is van de ervaren tegenwerking.
Nu is het wat mij betreft aan de gemeente Bergen op Zoom en aan Stadlander om niet te wachten en het bij ‘een deur open te zetten’ te laten.

Ricky en haar vrijwilligers hebben de afgelopen jaren prachtig werk geleverd en de gemeente en de samenleving veel geld bespaard en alles gedaan om een wijk gastvrij en leefbaarder te maken. Wethouders, bestuurders van Stadlander ga eens kijken bij de Keet en het speelterrein. Het ziet er uit om door een ringetje te halen. Dat komt door de vrijwilligers. Dat is onbetaalbaar. Feitelijk gaat het om jaarlijks een beperkte som geld die nodig is (drie à vierduizend euro). Het bespaart veel en veel meer. Maar wat nog belangrijker is: het zijn mensen die mensen helpen zonder alle (dure) bureaucratie van de zogenoemde professionals.

  • Wat gaat uw college doen om ‘De Keet’ en alles waar die naam voor staat te reactiveren?

Zorg dat de wondervrouw Ricky zich kan herpakken, want in mijn beleving is de Ricky die ik ken niet klaar met De Keet of haar buurkinderen en haar buurtgenoten die hulp nodig hebben maar met de gemeentelijke ambtenarij/bestuurders en die van Stadlander. Leden van beide organisaties dienen – wat mij betreft – over hun schaduw heen te stappen. Geloof mij dat is goed voor de gemeente, goed voor Stadlander als volkshuisvester en voor de samenleving.

 

 

Met vriendelijke groet,

 

Louis van der Kallen.


    

DISPENSATIE VERZOEK

 

    


| 14-02-2020 |

 

Aan Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden

p/a Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Postbus 20011

2500 EA Den Haag

Ondergetekende:
 
L.H. van der Kallen, wonende te 4611 RS Bergen op Zoom aan de Nieuwstraat nr. 4 
verzoekt dispensatie van het bepaalde in artikel 31 lid 2 in de Waterschapswet.

De gemeente Bergen op Zoom waarin ik sinds 1986 mag functioneren als raadslid bevind zich in bestuurlijk en financiële woelige wateren. Recent is een informateur aangewezen met als oogmerk te onderzoeken hoe te komen tot een bestuurlijk breder samengesteld college van B&W om de grote problemen en uitdagingen waarvoor de gemeente zich gesteld ziet op te pakken. In dat kader wordt mij steeds vaker de vraag gesteld een wethouderschap te overwegen. De Gemeentewet artikel 36b is daarvoor geen belemmering. Anders is het, door mijn lidmaatschap van het Algemeen Bestuur (AB) van het waterschap Brabantse Delta met de, Waterschapswet artikel 31 lid 2. Een lid van het AB mag volgens artikel 31 lid 2 van de Waterschapswet niet tevens wethouder zijn.

Ik ben 71 en ambieer, bij verstand, geen wethouderschap en zeker geen voltijds wethouderschap. Het klimmen der jaren en mijn private omstandigheden alsmede mijn aard vergen realiteitszin. Ik verlang van mijzelf volledige inzet voor de taken waarvoor ik gesteld zou kunnen worden, dan is een deeltijd wethouderschap van 50 a 60 % voor mij fysiek en mentaal het hoogst haalbare. Mocht een wethouderschap in het belang van mijn geliefde Bergen op Zoom noodzakelijk zijn voor het in beeld krijgen van een bestuurlijke samenstelling die de uitdagingen waarvoor Bergen op Zoom staat, met enig succes kan op pakken, dan voel ik mij genoodzaakt een wethouderschap, in een uiterst geval, te overwegen. Ik zou een eventueel wethouderschap dan graag combineren met het bestuurlijk werk voor het waterschap Brabantse Delta wat ik nu doe.

Uit mijn bijgevoegd CV blijkt mijn decennia lange betrokkenheid bij het bestuur van waterschappen. In negen verschillende waterschappen in de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Gelderland ben ik bestuurlijk actief geweest. Ik combineer daar tot op de dag van vandaag mijn vele jaren bestuurlijke ervaringen op gemeentelijk, provinciaal en waterschapniveau met mijn inhoudelijke kennis van waterproblemen en ervaringen in het bedrijfsleven om waterbeheer mede vorm te geven. Ik zou het node missen, maar ik denk oprecht dat voortzetting van mijn bedrage ook in het waterschapsbestuur van de Brabantse Delta van nut kan zijn bij de opgaven waarvoor dit waterschap gesteld staat. Voor informatie verwijs ik graag naar de huidige en voormalige dijkgraven van dit waterschap.

Voor informatie over de bestuurlijke situatie in Bergen op Zoom verwijs ik naar de burgemeester van mijn gemeente.

Nu om dispensatie vragen lijkt, tot op zekere hoogte, voor de muziek uitlopen. Een besluit waarbij ik mijn AB positie moet opgeven is voor mij een groot dilemma. Doet ik recht aan de Bergse kiezer en het gemeentelijk belang of doe ik recht aan de waterschapkiezer die mij een fors mandaat heeft gegeven? Ik wil graag beide door de kiezer gegeven mandaten rechtdoen.
Waarbij ik durf te erkennen: dat ik een waterschapper in hart en nieren ben. Het waterschapwerk zit in mijn botten. Kijk eens op de website www.onswater.com of kijk eens op www.louisvanderkallen.nl om te weten wie ik ben en kom tot een oordeel of een eventuele dispensatie hier op zijn plek zou zijn. Waarbij het van belang is te weten dat bij een eventuele wethouderportefeuille zoals financiën de kans op belangenverstrengeling nihil is te achten.
Ik zou graag weten of dispensatie in dit bijzondere geval tot de mogelijkheden behoor.

 
Met de meeste hoogachting,
Uw dw. dienaar,

  
L.H. van der Kallen
Raadslid Gemeente Bergen op Zoom
Lid AB Waterschap Brabantse Delta


    

OPEN BRIEF

 

    


Bergen op Zoom, 8 januari 2020

 

Aan de Deltacommissaris

 

OPEN BRIEF

 

Geachte Deltacommissaris, beste Peter,

We kennen elkaar al enige tijd. Je weet dat ik al vele jaren in het openbaarbestuur actief ben en een ruime ervaring heb in de wereld van de waterschappen in grote delen van ons mooie landje. Gekscherend zeg ik wel eens dat ik in het water bijna net zoveel bestuursjaren heb als mijn leeftijd. Opgedaan bij 9 waterschappen van Domburg tot Winterswijk dus over de volle breedte van het land en soms bij meerdere tegelijkertijd. Ik maak mij zorgen en daarom neem ik de vrijheid je te schrijven.

Mijn eerste zorgpunt is het volstrekt ongefundeerde tromgeroffel op het innovatieve karakter van de Nederlandse watersector. In mijn beleving is er al enkele tientallen jaren nauwelijks sprake van echte innovaties in deze door mij zo gekoesterde sector. Nu wordt iedere ‘vernieuwing’ gepresenteerd als een innovatie. Voor mij, een persoon die zijn hele werkzame leven heeft gewerkt in research en development (R&D) is dat een gotspe. In de sectoren waarin ik in de R&D gewerkt heb (landbouw en chemische industrie) was een innovatie een vernieuwing die een echte ‘game changer’ was.
Het bedrijf waar ik van 1970 tot mijn pensionering in R&D werkte, hanteerde een aantal kwalificaties voor ontwikkelingen in R&D

  1. Kleine aanpassingen van product of proces (doorlooptijd circa 4 weken).

  2. Nieuw product of grote aanpassingen van een bestaand product of proces binnen bestaande eigen technologie (doorlooptijd circa 12 weken).

  3. Introductie van een (nieuwe) technologie vanuit een andere bedrijfstak in eigen producten of processen (doorlooptijd circa 16 weken).

  4. Introductie zelf ontwikkelde nieuwe technologie binnen een bestaand product of proces (doorlooptijd circa 24 weken).

  5. Nieuw product of proces met een zelf ontwikkelde nieuwe technologie (doorlooptijd circa 36 weken).

  6. Nieuw product of proces op basis van een zelf ontwikkelde nieuwe technologie die vanwege het wezenlijk vernieuwende karakter gepatenteerd kon worden (doorlooptijd 1 tot 3 jaar).

  7. Innovaties die niet alleen patenteerbaar zouden zijn maar een echte game changer zouden zijn voor de sector en daar buiten (doorlooptijd 3 tot 5 jaar).

Zelf heb ik in de categorieën 1 tot 5 vele tientallen ontwikkelingen van idee tot toepassingen kunnen (mede)brengen. Eénmaal in categorie 6. Ook het patent dat op mijn naam als uitvinder staat zou ik nooit een innovatie noemen. Ik vind het dan ook een gotspe iedere tot minuscule verandering van werkwijze een innovatie te noemen. In een voor mij normale wereld is het logisch dat iedere medewerker van een waterschap of RWS zich iedere dag afvraagt: hoe kan ik mijn werk beter doen. Dat moet er met regelmaat toe leiden dat werkzaamheden kleine wijzigingen ondergaan. Wij mensen zijn immers denkende wezens die dagelijks leren van de eigen ervaringen en als ze houden van het vak ook van anderen. Wij leren van elkaar. Zijn dat innovaties? Buitengewoon zelden. Een paar keer bezocht ik de uitreiking van de waterinnovatieprijzen. Ik schreef daar dan over:

https://www.onswater.com/2015/12/over-water-20/

https://www.onswater.com/2017/12/over-water-120/

Peter, lees die verslagen eens. Vrijwel alle prijswinners betraden reeds eeuwen platgetreden paden het waren in het beste geval aardige vernieuwingen van mensen die nadachten hoe dingen beter konden. Dit soort verbeteringen innovaties noemen is jezelf en de sector in slaap wiegen. Verbeteringen van deze aard en omvang zijn geen innovaties, ze zijn blijken dat mensen gewoon hun verstand gebruiken om hun werk goed te doen! Ik ben er van overtuigd dat iedere waterschapsmedewerker zijn werk goed en steeds beter wil doen. Hij of zij denkt zeker na over hoe dingen beter kunnen. Maar dat is normaal.

Het alsmaar roepen dat je innovatief bent, maak je niet innovatief.

Het lijkt framing. Wat ik erg vind is dat bestuurders er in gaan geloven en er niet van overtuigd worden dat voor werkelijke innovaties er meer geld naar onderzoek moet en er onder ambtenaren een sfeer moet komen dat er buiten reeds lang begane paden getreden moet worden om te kunnen innoveren en dat dit kan betekenen dat het geld zal kosten en dat dit geld niet altijd zal opleveren wat men wenst. In de praktijk van mijn beroepsmatige leven was het vooral de vrije research die gewenste patenten en innovaties bracht.

De doelresearch, die ik incidenteel wel waarneem bij waterschappen, bracht wel vernieuwingen in de zin van doorontwikkelingen van bestaande producten of de introductie van technieken, vanuit andere sectoren, ze brachten ook efficiëntie verbeteringen, maar werden geen innovaties genoemd.

Bij overheden kom ik zelden iets innovatiefs tegen. Naar mijn opvatting komt dat omdat bij ambtenaren, bestuurders en politici er een overmaat aan risicoaversie aanwezig is. De ‘politiek’ zou eens lastige vragen kunnen stellen!

Keer op keer zie ik op bijeenkomsten zoals een Deltacongres het nodige borstgeklop over hoe innovatief de Nederlandse watersector wel zou zijn. Naar mijn opvatting is de vrijwel mondiale erkenning van ons hoge kennisniveau meer te danken aan het goede werk dat Nederlandse waterdeskundigen door de eeuwen heen hebben verricht, dan aan de huidige beperkte toevoeging aan die kennis. Sinds de massa van de ingenieurs bij RWS het veld hebben geruimd en hun posities veelal zijn overgenomen door managers is ook daar de vernieuwende kracht geminimaliseerd. Waar zijn de ‘grote’ projecten waarvan we leren?

Mijn bezoek aan de Aquatech Amsterdam 2019 was voor mij aanleiding op 5 november 2019 de volgende tweet te plaatsen; Vandaag de Aquatech Amsterdam 2019. Mochten wij ooit gedacht hebben dat wij Nederlanders leidend waren op het gebied van waterbehandeling. Bezoek de Aquatech en weet beter. Het zijn de chinezen! Zowel qua aantal en kwaliteit van de exposanten als in het aantal bezoekers.”

Op waterveiligheid zijn wij misschien nog leidend maar ik ben bang dat het meer de framing en promotie is van ons imago dan dat we werkelijk leidend zijn. Als DB lid/portefeuillehouder heb ik veel internationale groepen rond mogen leiden in de Overdiepse polder. Mijn conclusie was dat op veel plekken in de wereld mensen rond lopen en projecten in uitvoering zijn waar kennis inhaalslagen gemaakt worden. Nederland, hou op met je zelf in slaapwiegen door te denken dat we innovatief zijn.

Deltacommissaris, u kan een rol spelen om meer realisme over onze werkelijke ‘innovatieve’ kracht te ontwikkelen. Pak die rol!

Mijn tweede zorgpunt is de kwaliteit/instelling van de algemene besturen van de waterschappen. Sinds de invoering van het lijstenstelsel bij de waterschapsverkiezingen in 2008 is er veel veranderd.

Ik ben vast, met mijn 71 jaar, een ‘oude’ man, een babyboomer die de OK Boomer kwalificatie waardig is. Verzuurd, afgeschreven en ter dage zat, die met nostalgie terugdenkt aan de goede oude tijd toen alles beter was. Toch neemt deze oude man de vrijheid van zijn hart geen moordkuil te maken.

Vanaf het begin van de jaren negentig draai ik mee in waterschapsbesturen en heb ze zien veranderen van ‘Boerenrepublieken’ tot de huidige professionele, door managers gerunde organisaties. Als niet boer en als stadsjongen was ik heel lang een buitenbeentje. Begin jaren negentig werd ik lid van het AB van het voormalige waterschap Zoomvliet. Ik was de enige niet van boerenafkomst. Toen ik eind jaren negentig lid werd van het Algemeen Bestuur (AB) van het voormalige Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch, namens de categorie “bedrijfsgebouwd” waren er van de 40 AB leden maar een paar met een niet boerenachtergrond. Toentertijd waren ook de dijkgraven vrijwel zonder uitzondering van boerenafkomst. Wat mij toen opviel en wat ik koesterde was de enorme betrokkenheid van de AB leden bij het waterschapsbestuur. Vrijwel ieder AB-lid droeg gebiedskennis bij en verdiepte zich ook in de technische achtergrond van de te behandelende voorstellen. Ook de komst/toename van de groep ‘burgers’ in de categorieën ingezetenen en gebouwd versterkte die betrokkenheid en belangstelling voor de techniek van het waterbeheer. Het bij de verkiezingen gehanteerde personenstelsel trok binnen die ‘burger’ categorieën vooral techneuten aan en mensen met belangstelling voor natuur en milieu. Was je afgestudeerd aan Wageningen (WUR) of de TU Delft of had je een technische universitaire opleiding dan werd je in de categorieën ingezetenen of gebouwd altijd gekozen. Had je een technische HBO opleiding genoten dan was de kans op verkiezing meer dan 80 %. Alfa’s hadden het nakijken!

Met de invoering van het lijstenstelsel in 2008 is dat rap veranderd. De discussies in de AB’s zijn verpolitiekt en gaan zelden nog over de inhoud maar overwegend over geld. Want de taal van het ‘geld’ is een taal die politici, de alfa’s van deze wereld, nog wel snappen. Discussies in AB’s zouden immers alleen op hoofdlijnen gevoerd moeten worden. Want ook de alfa’s, de managers, hebben de DB’s en de dijkgraafposities veelal ingenomen. The last of the mohicans zijn de geborgde zetels, waar de bèta’s nog wel sterk vertegenwoordigd zijn, en ook aan die poten wordt gezaagd. Vanuit de politiek klinken keer op keer de kreten om aan die ‘ondemocratische’ weeffout een einde te maken. Politici. Partij tijgers weten het immers beter. Buiten de ideologische partijen zoals Waternatuurlijk en de Partij van de Dieren en een paar regionale waterpartijen zoals in mijn eigen waterschap West-Brabant Waterbreed http://www.west-brabantwaterbreed.nl/ en Ons Water https://www.onswater.com/ die één fractie vormen zijn er nauwelijks partijen die de inhoud voorop stellen. Inhoudelijke kennis wordt door de meeste AB leden niet meer nodig geacht. Het besturen op hoofdlijnen is immers het adagium. Dat adagium blijkt in de praktijk zich veelal te beperken tot discussies over geld.

In een thema AB werd in mijn eigen waterschap eind vorig jaar de stelling geponeerd:

“een AB lid hoeft niet alle technische kennis te hebben om tot goede besluitvorming te komen”. Ik was de enige die de stelling onderschreef. Ook nadat de stelling, in de discussie, enigszins werd afgezwakt (“alle” eruit) bleef ik eenzaam aan mijn kant van het met de voeten stemmen. Het ging immers om de hoofdlijnen. Ik zie het ook op veel bijeenkomsten (mede)georganiseerd door de STOWA, bestuurders zijn er zelden. En ik wordt als bestuurder door de wel aanwezige ambtenaren (die mij niet kennen) wat meewarig beschouwd.

Het wordt steeds raarder om naar symposia over bijvoorbeeld (biologische) zuiveringstechnieken te gaan. Of bij te houden wat de onderzoeksinstituten in Duitsland of Zwitserland op het gebied van waterbehandeling doen. Waar bemoeit die bestuurder zich mee?

Ik maak mij zorgen over deze twee trends/ontwikkelingen in ‘waterland’. Beste Peter, je kan natuurlijk denken Louis kan niet met zijn tijd mee. Of Louis is de weg kwijt. Dat is vast ook zo. Wat goed is c.q. goed was wil ik behouden/herstellen. Ik sta open voor vernieuwingen die ook echt verbeteringen zijn. Maar als we onze watergemeenschap in slaap wiegen met ons ‘geweldig’ voelen, ontnemen we ons een deel van de toekomst. Ik zie dat AB’s steeds minder de inspiratiebron zijn voor veranderingen en steeds minder een echt klankbord zijn voor onze ambtenaren. Het meedenken is aan het verdwijnen en als de geborgde zetels worden geschrapt is het einde van de waterschappen, als zelfstandige door burgers bestuurde organisaties, nabij. Voor de uitvoering zijn bestuurders immers niet nodig en de democratisch gekozen Provinciale Staten kunnen de dan op hoofdlijnen aangestuurde waterschappen er dan wel bij doen.

Voor mijn gevoel maken we vandaag de dag de ‘nadagen’ van het Romeinse Rijk mee. Onze inwoners zijn geen burgers meer maar consumenten en onze ‘bestuurders’ lijken zich tot ontwikkelen tot decadente zelfgenoegzame zelfbevredigers.

Geachte Deltacommissaris, beste Peter, ik hoop dat je nadenkt over mijn zorgen en kijkt wat je kan/wil doen om ze te verminderen. Ik hoop tevens dat 2020 voor jou als mens en als beambte succesvol mag zijn.

 

Hoogachtend,

 

L.H. van der Kallen.


    

BESTUURLIJKE HERINRICHTING, KENMERK 0056

 


 

Bergen op Zoom, 27 september 2014

 

Aan het College van Gedeputeerde

Staten van de Provincie Noord Brabant

Postbus 90151

5200 MC ’s Hertogenbosch

Per email: [email protected]

 

Betreft:          bestuurlijke herinrichting, kenmerk LK/14066-0056

  

Geacht College,

 Met interesse heeft ondergetekende kennis genomen van de publicatie in de Brabant Nieuwsbrief met de inhoud: “Op een vernieuwende manier samenwerken aan de bestuurlijke herinrichting van en voor Brabant”. De daarin aangegeven ambitie, verwoord in “(Veer)Krachtig Bestuur: Op weg naar nieuwe samenwerking en samenhang”, onderschrijft ondergetekende van harte. Ik vind het jammer dat het verhaal voorbijgaat aan de eenvoudig op te pakken zaken die nu vaak mede bepalend zijn voor het niet optimaal functioneren van overheden in het algemeen. 

Een voorbeeld uit de eigen omgeving is de bestuurlijke verantwoordelijkheden van het natuurgebied Markiezaten/Molenplaat. Twee provincies (Noord Brabant en Zeeland), twee waterschappen (Scheldestromen en Brabantse Delta) en drie gemeenten (Tholen, Bergen op Zoom en Reimerswaal) dragen verantwoordelijkheid voor dit natuurgebied, waar niemand woont en dat als Natura 2000 gebied en als natte natuurparel veel aandacht, plannen maken en uitvoering behoeft. Het gevolg van de bestuurlijke lappendeken is dat dit gebied niet die aandacht krijgt die het verdient. Zo blijkt dat in het, op dit moment nog concept, waterbeheersplan 2015-2021 van het waterschap Brabantse Delta voor dit gebied, in deze periode, nog geen plannen worden ontwikkeld om aan de doelstellingen van een Natura 2000 gebied of natte natuurparel te gaan voldoen. In mijn beleving een gemiste kans. Die afwachtende houding komt naar mijn gevoel voort uit de bestuurlijke lappendeken, waardoor plannen maken en uitvoeren onnodig complex zijn.

Mijn verzoek: kom tot zodanige afspraken inzake de bestuurlijke indeling van dit gebied waardoor dit gebied onder één provincie, één waterschap en één gemeente komt te vallen. Een natuurlijke grens zou de Markiezaatskade kunnen zijn. 

Uw handelen afwachtend, 

hoogachtend, 

L.H. van der Kallen

lid van de gemeenteraad Bergen op Zoom, BSD-fractie

lid Algemeen Bestuur Waterschap Brabantse Delta, fractie Ons Water/Waterbreed

 


 

LEDEN TWEEDE KAMER INZ. HYPOTHEEKSCHULDEN PROBLEMATIEK – D0042

 


 

Bergen op Zoom, 24 april 2013

 

Geachte Tweede Kamer fractie,

Ik heb een suggestie over hoe de hypotheekschuldenproblematiek te verlichten, de kredietrisico’s van hypotheekverstrekkers te verminderen, de belastinginkomsten te verhogen, het besteedbaar inkomen van een deel van de bevolking te verhogen, de woningmobiliteit/doorstroming te verhogen en daarmee indirect de woningbouw te bevorderen en de economie te stimuleren. Kan dat met één maatregel? Ja dat kan!

Als de belastingvrije gift van ouders en grootouders wordt verhoogd tot bijvoorbeeld maximaal € 200.000, onder de voorwaarde dat de gift in hetzelfde kalenderjaar volledig gebruikt moet worden voor de aflossing van de hypotheekschuld, dan heeft deze maatregel een positieve bijdrage aan de oplossing van bovengenoemde problemen.

– De belastinginkomsten stijgen direct omdat de aftrekbare rentebetalingen dalen. Dit gaat deels ten koste van de vermogensheffing van de ouders/grootouders en beperkt in de toekomst de erfbelasting iets. Dit laatste meer theoretisch omdat de heffingsvrijstellingen groot zijn.
– Het besteedbaar inkomen van de ontvangers stijgt, omdat er minder rente betaald hoeft te worden.
– De woningmobiliteit/doorstroming kan toenemen omdat de ontvanger minder snel ‘onderwater met zijn hypotheek komt te staan’ of het ‘onderwater staan’ door de aflossing wordt opgeheven.
– Door het toenemen van de woningmobiliteit/doorstroming kunnen de woningverkopen stijgen en kan daarmee de woningbouw gestimuleerd worden.
– Door de effecten op het besteedbaar inkomen en de indirecte stimulering van de woningbouw wordt de economie gestimuleerd.

Wat is nu mooier dan deze voor de staat geld opbrengende maatregel met tal van positieve effecten?

De maatregel zou nog meer effect krijgen als de aflossingsbeperkingen, vaak mag slechts 10 of 20 % van het hypotheekbedrag extra worden afgelost, worden opgeheven of als de voorgestelde maatregel ook zou gelden voor giften van anderen dan ouders en grootouders.

Met vr.gr.
Louis van der Kallen

 


 

 

BANK NEDERLANDSE GEMEENTEN INZ. KREDIETVERLENING OVERHEDEN – D041

 


 

Bergen op Zoom, 27 april 2010

Bank Nederlandse Gemeenten
T.a.v afdeling kredietbewaking
Postbus 30305
25001 GH Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw,

Als gemeenteraadslid van de gemeente Bergen op Zoom wil ik met u, als één van de grotere financiële instellingen gericht op de overheid, mijn zorgen delen inzake de kredietwaardigheid van mijn gemeente. Overkreditering is niet alleen een probleem bij burgers en bedrijven, maar ook bij overheidsinstanties als gemeenten die de afgelopen jaren te ver zijn doorgeschoten in hun ambities en daardoor in het aangaan van financiële risico’s en verplichtingen. Reeds een tiental jaren heb ik bij de behandelingen van begrotingen en rekeningen gewezen op de beperkte reserves ten opzichte van de onderhavige risico’s.

De gemeente Bergen op Zoom kent een fors aantal grondexploitaties waaronder een tweetal
(Bergse Haven en de Markiezaten) zeer omvangrijke en risicovolle, in aanmerking nemende de grootte van Bergen op Zoom. Als raadslid heb ik ten aanzien van deze, in mijn ogen toen reeds zeer risicovolle exploitaties, de raad en het college gewezen op de risico’s en tegen deze exploitaties gestemd.

Bergen op Zoom heeft het geluk dat er ook nog enkele exploitaties lopen met goede tot zeer goede resultaten. Sommige met zelfs negatieve boekwaarden. Door winstnemingen op deze exploitaties worden feitelijk de verliezen op andere exploitaties tijdelijk gecompenseerd. De verliezen op de Bergse Haven zitten tot op heden niet in de geaggregeerde resultaten van het gemeentelijk grondbedrijf omdat deze in een andere onderneming met private partijen was ondergebracht. De voorziene verliezen in die exploitatie werden in mei 2009 al geschat op circa 45 miljoen euro. De betrokken onderneming wordt/is ontbonden. Mijn inschatting van de contracten is dat de verliezen vooral ten laste van de gemeente Bergen op Zoom zullen komen omdat de door de gemeente gekochte gronden niet meer geleverd kunnen/zullen worden aan de gezamenlijke onderneming.

Uit mijn nadere studie blijkt dat de wel beschikbare exploitatieopzetten van de gemeente Bergen op Zoom (formeel geactualiseerd) nog steeds uitgaan van bouwcijfers uit de tijd dat de exploitatieopzetten werden gemaakt. Afhankelijk van de kennis van toen 350 tot 450 woningen per jaar. De realiteit van nu is een andere (2009 – 170 woningen gerealiseerd). Dit leidt tot situaties die ronduit misleidend zijn. Als voorbeeld een zeer omvangrijke exploitatie waarvan de boekwaarde X bedraagt en de looptijd nog 8 jaar. De opbrengst van de verkoop in die exploitatie in 2009 was 1/30 X. Feitelijk minder dan de rentekosten van de boekwaarde.
De verantwoordelijke wethouder heeft in de media aangegeven dat het aantal in 2009 gerealiseerde woningen vermoedelijk maatgevend zal zijn voor de nabije toekomst.

Hierbij gaat de wethouder er tevens vanuit dat Bergen op Zoom tot 2025 een groeigemeente blijft, terwijl de Atlas voor Gemeenten 2010 aangeeft dat Bergen op Zoom tot de top 3 (onder de 50 grootste gemeenten) behoort die risico lopen op krimp. Het onderzoek waaraan gerefereerd werd gaat uit van een krimp voor Bergen op Zoom tussen 2010 en 2020 van 1,1 %. Bergen op Zoom kent een plancapaciteit van circa 7000 woningen, een absurd hoog niveau voor de voorzienbare woningbouw met alle risico’s van dien.

Mijn verzoek en aanbeveling aan uw bank is: onderzoek, alvorens tot verdere kredietverlening aan Bergen op Zoom over te gaan, nadrukkelijk de kredietwaardigheid van Bergen op Zoom. Hierbij verdienen met name de exploitaties Bergse Haven en de Markiezaten uw aandacht omdat in deze exploitaties risico’s zitten die de draagkracht van Bergen op Zoom en haar bevolking ver te boven gaan.

Vertrouwende op uw verantwoordelijkheid

Hoogachtend

L.H. van der Kallen
gemeenteraadslid namens de BSD-fractie

 


 

 

NWB BANK INZ. KREDIETVERLENING OVERHEDEN – D040

 


 

Bergen op Zoom, 27 april 2010

 

NWB Bank
T.a.v afdeling kredietbewaking
Postbus 580
2501 CN Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw,

Als gemeenteraadslid van de gemeente Bergen op Zoom wil ik met u, als één van de grotere financiële instellingen gericht op de overheid, mijn zorgen delen inzake de kredietwaardigheid van mijn gemeente. Overkreditering is niet alleen een probleem bij burgers en bedrijven, maar ook bij overheidsinstanties als gemeenten die de afgelopen jaren te ver zijn doorgeschoten in hun ambities en daardoor in het aangaan van financiële risico’s en verplichtingen. Reeds een tiental jaren heb ik bij de behandelingen van begrotingen en rekeningen gewezen op de beperkte reserves ten opzichte van de onderhavige risico’s.

De gemeente Bergen op Zoom kent een fors aantal grondexploitaties waaronder een tweetal
(Bergse Haven en de Markiezaten) zeer omvangrijke en risicovolle, in aanmerking nemende de grootte van Bergen op Zoom. Als raadslid heb ik ten aanzien van deze, in mijn ogen toen reeds zeer risicovolle exploitaties, de raad en het college gewezen op de risico’s en tegen deze exploitaties gestemd.

Bergen op Zoom heeft het geluk dat er ook nog enkele exploitaties lopen met goede tot zeer goede resultaten. Sommige met zelfs negatieve boekwaarden. Door winstnemingen op deze exploitaties worden feitelijk de verliezen op andere exploitaties tijdelijk gecompenseerd. De verliezen op de Bergse Haven zitten tot op heden niet in de geaggregeerde resultaten van het gemeentelijk grondbedrijf omdat deze in een andere onderneming met private partijen was ondergebracht. De voorziene verliezen in die exploitatie werden in mei 2009 al geschat op circa 45 miljoen euro. De betrokken onderneming wordt/is ontbonden. Mijn inschatting van de contracten is dat de verliezen vooral ten laste van de gemeente Bergen op Zoom zullen komen omdat de door de gemeente gekochte gronden niet meer geleverd kunnen/zullen worden aan de gezamenlijke onderneming.

Uit mijn nadere studie blijkt dat de wel beschikbare exploitatieopzetten van de gemeente Bergen op Zoom (formeel geactualiseerd) nog steeds uitgaan van bouwcijfers uit de tijd dat de exploitatieopzetten werden gemaakt. Afhankelijk van de kennis van toen 350 tot 450 woningen per jaar. De realiteit van nu is een andere (2009 – 170 woningen gerealiseerd). Dit leidt tot situaties die ronduit misleidend zijn. Als voorbeeld een zeer omvangrijke exploitatie waarvan de boekwaarde X bedraagt en de looptijd nog 8 jaar. De opbrengst van de verkoop in die exploitatie in 2009 was 1/30 X. Feitelijk minder dan de rentekosten van de boekwaarde.
De verantwoordelijke wethouder heeft in de media aangegeven dat het aantal in 2009 gerealiseerde woningen vermoedelijk maatgevend zal zijn voor de nabije toekomst.
Hierbij gaat de wethouder er tevens vanuit dat Bergen op Zoom tot 2025 een groeigemeente blijft, terwijl de Atlas voor Gemeenten 2010 aangeeft dat Bergen op Zoom tot de top 3 (onder de 50 grootste gemeenten) behoort die risico lopen op krimp. Het onderzoek waaraan gerefereerd werd gaat uit van een krimp voor Bergen op Zoom tussen 2010 en 2020 van 1,1 %. Bergen op Zoom kent een plancapaciteit van circa 7000 woningen, een absurd hoog niveau voor de voorzienbare woningbouw met alle risico’s van dien.

Mijn verzoek en aanbeveling aan uw bank is: onderzoek, alvorens tot verdere kredietverlening aan Bergen op Zoom over te gaan, nadrukkelijk de kredietwaardigheid van Bergen op Zoom. Hierbij verdienen met name de exploitaties Bergse Haven en de Markiezaten uw aandacht omdat in deze exploitaties risico’s zitten die de draagkracht van Bergen op Zoom en haar bevolking ver te boven gaan.

Vertrouwende op uw verantwoordelijkheid

Hoogachtend

L.H. van der Kallen
gemeenteraadslid namens de BSD-fractie

 


 

 

MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN INZ. NIEUWE GEMEENTEWET – D039

 


 

Bergen op Zoom, 26 oktober 2009
 

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Postbus 20011

2500 EA Den Haag

 

Excellentie, 

Ondergetekende is sinds 1986 gemeenteraadslid in de gemeente Bergen op Zoom. Ik heb altijd mijn controlerende rol serieus genomen en had in dat kader grote verwachtingen van de nieuwe gemeentewet (NGW). Ik tracht het duale karakter van de NGW optimaal in te vullen. Sedert mei 2005 vul ik het volksvertegenwoordiger zijn in door zomer en winter, verkiezingen of niet, met mijn praatpaal minimaal 3 á 4 maal per week een uur of meer in het centrum van Bergen op Zoom te staan om het publiek te woord te staan. Hun klachten of hun suggesties, hun gemopper of hun verzoeken tot informatie te vertalen in mijn politiek handelen. Ik ben benoemd in vele rekenkamers/rekenkamercommissies bij op dit moment 18 gemeenten. Lokaal ben ik altijd gericht geweest op controle van mijn gemeentebestuur en op de uitvoering van het beleid. Een belangrijk oogmerk van de NGW was de positie van de gemeenteraad te versterken. Naar mijn bescheiden mening is dat slechts beperkt gelukt. De praktijk is dat die bedoelde versterking nauwelijks zoden aan de dijk zet. Een voorbeeld uit de praktijk wil ik onder uw aandacht brengen in de hoop en het vertrouwen dat dit bij de evaluatie van de NGW tot verbetering kan leiden. 

Begin van de zomer werd de gemeenteraad van Bergen op Zoom geconfronteerd met ernstige tegenvallers in de grondexploitatie van het plan Bergse Haven. Een actualisatie van de exploitatieopzet wees uit dat bij een uitvoering van het oorspronkelijke plan het verlies wel eens uit zou kunnen komen op meer dan 50 miljoen euro. Voor de gemeente Bergen op Zoom een financiële ramp van ongekende omvang. Voor mij niet geheel nieuw omdat ik als enige in de gemeenteraad bij de start van dit plan tegen had gestemd met als argument dat: ‘de planopzet niet deugde en zou kunnen leiden tot ernstige verliezen c.q. een financiële ramp’.

Vanaf het moment van presentatie van de nieuwe exploitatieopzet pleitte ik voor een gedegen onderzoek middels een raadsenquête. Uiteindelijk leidde de besluitvorming in de gemeenteraad tot een onderzoeksopdracht aan de ‘Rekenkamer van West-Brabant’ (feitelijk is dit een rekenkamerfunctie) met als oogmerk later te komen tot een raadsenquête. Ik besloot zelf om als voorloper op de raadsenquête te starten met een eigen onderzoek. In dat kader heb ik in ruim honderd uur deels op het stadskantoor vele meters dossiers doorgenomen. Dit leidde onder andere tot bijgaande vragen (bijlage 1) aan het college van B&W ex. artikel 39 van het reglement van orde van de gemeenteraad van Bergen op Zoom met een begeleidende brief (bijlage 2). Het moment van het stellen van deze vragen kwam voort uit het besef dat het ‘rekenkameronderzoek’ ernstige vertraging opliep en dat deze vertraging mijn inziens verwijtbaar was aan de onderzoekers die om hun moverende redenen niet die vasthoudendheid aan de dag legden die ondergetekende wezenlijk c.q. noodzakelijk vond. Kortom ik rook een wellicht opzettelijke vertragingsactie. 

Het stellen van mijn vragen leidde er toe dat de ‘rekenkamer’ de onderzoeksopdracht terug gaf (bijlage 3) hetgeen bij mijn geachte collega’s tot de actie leidde de ‘rekenkamer’ te verzoeken het onderzoek alsnog af te maken (bijlage 4) en tot een aanvullende brief van ondergetekende aan het college van B&W (bijlage 5).  

Vervolgens berrichtte de ‘rekenkamer’ de raad onder welke voorwaarden zij het onderzoek weer ter hand zou willen nemen (bijlage 6). Een voor ondergetekende verbijsterende voorwaarde van de ‘rekenkamer’ is: “de door burgemeester en wethouders te verstrekken inhoudelijke reactie op de door raadslid van der Kallen gestelde vragen eerst en uitsluitend ter beschikking worden gesteld voor het rekenkameronderzoek.” Hier verlangde een derde dat de vragen gesteld door een raadslid “eerst en uitsluitend” aan hen beantwoord worden! Hiermede wordt feitelijk gevraagd de vragen van een raadslid te beantwoorden maar hem, de gemeenteraad en het publiek geen kennis te laten nemen van die antwoorden anders dan eventueel via de rapportage van de ‘rekenkamer’. Ik heb de raad van mijn gedachten en gevoelens ten aanzien van deze voorwaarde van de ‘rekenkamer’ per brief geïnformeerd (bijlage 7). De commissie Burger en Bestuur van de gemeenteraad van Bergen op Zoom ging op 15 oktober akkoord met de door de ‘rekenkamer’ gestelde voorwaarden, zij het dat de antwoorden van burgemeester en wethouders op de door mij gestelde vragen na aanbieding van het eventuele ‘rekenkamerrapport’ wel ter beschikking komen van de raad (bijlage 8). Tot zover de praktijk van een controle case van een raadslid. 

De NGW schiet tekort om een raadslid effectief inhoud te kunnen laten geven aan zijn controlerende taak. Artikel 155 lid 1 geeft een raadslid slechts het recht om vragen te stellen. Uitspraken van de rechtbank in Arnhem in hoger beroep, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stellen feitelijk dat een geschil over de toepassing van de informatieverplichting op politiek niveau dienen te worden uitgevochten. Met andere woorden de gemeenteraad en of een commissie van de gemeenteraad mag bepalen dat vragen van een raadslid niet beantwoord worden of later beantwoord worden dan het reglement van orde voorschrijft. In het Bergen op Zoomse voorbeeld wordt zelfs op aangeven van een zichzelf rekenkamer noemende rekenkamerfunctie besloten dat niet het raadslid, de gemeenteraad en het publiek de antwoorden ter beschikking krijgen, maar eerst als zij gegeven zijn aan een derde, in casu de ‘rekenkamer’.  Zij moeten maar minimaal drie maanden wachten op de antwoorden. 

Wat stelt het wettelijk recht van vragenstellen voor als een college waaraan de vragen zijn gericht, gesteund door een raadsmeerderheid, de vragen niet behoeft te beantwoorden? Wat is de positie van een vragenstellend raadslid als de antwoorden niet voor hem en wel voor een derde beschikbaar komen? Feitelijk kan een raadslid, die zijn controlerende taak naar eer en geweten conform de wensen van de wetgever probeert in te vullen, beperkt/belemmerd en zelfs geknecht worden door een raadsmeerderheid. Mijn conclusie: artikel 155 lid 1 is een farce! 

Mijn verzoek: vul de NGW aan met een informatieplicht van het college van B&W. 

Mijn tweede verzoek: bekijk eens of een handelswijze zoals het Bergen op Zoomse voorbeeld onmogelijk gemaakt kan worden of veroordeel deze. 

Mijn derde verzoek: besluit, eventueel middels een AMvB dat een rekenkamerfunctie zich geen rekenkamer mag noemen, noch als zodanig mag worden aangeduid.

Voor het publiek is het gebruik van de aanduiding rekenkamer voor een rekenkamerfunctie verwarend en ondermijnt een onjuiste benaming het eventuele gezag van een voor het gemeentebestuur belangrijk controlerend orgaan. 

Hoogachtend, 

L.H. van der Kallen

lid van de gemeenteraad van de gemeente Bergen op Zoom 

cc Fracties Tweede Kamer

 


 

 

LEDEN TWEEDE KAMER INZ. CONCURRENTIE – D038

 


 

Bergen op Zoom, 23 mei 2009

 

Aan de leden van de Tweede Kamer                                                                                                                                                                                                                                             per e-mail

 

Geachte leden van het parlement, 

Op 5 juli 2008 schreef ondergetekende een brief aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken inzake de wijze waarop de gemeente Bergen op Zoom omgaat met aanbestedingen van het PGB (zie bijlage PGB brief en disc RVB08-0097). Kern van deze zaak was dat de vastgestelde verordening persoongebonden budget Wsw RVB08-0097 zodanig was opgesteld dat, door de in de verordening opgenomen vereisten, slechts één leverancier voor de gemeentelijke opdrachten in aanmerking zou komen. De kern van het antwoord (scan brief min biza) was: “Het is dan ook niet ondenkbaar dat er geïnteresseerde partijen zijn die op dit moment niet actief zijn in Bergen op Zoom maar wel geïnteresseerd zijn om actief te worden.” Als concurrentie niet ‘ondenkbaar’ is, is klaarblijkelijk voldaan aan de noodzaak tot concurrentie. 

In 2008 werd middels de “verordening inkoop producten en diensten Stichting samenwerken 2008  RVB08-0013” weer een nieuwe stap gezet om aanbesteden in concurrentie te vermijden.

Na een verzoek tot vernietiging aan de Kroon van ondergetekende (bijlage verzoek tot) is deze verordening op enkele, voor het in concurrentie aanbesteden, niet relevante zaken aangepast ( RVB09-0037). Dit per verordening aanwijzen van één leverancier betreft nu leveringen in de orde van één miljoen euro per jaar. 

Bovenstaande voorbeelden van het vermijden van aanbesteden in concurrentie belemmeren een ordentelijk functioneren van de markt voor dit soort diensten en kosten de burgers van Bergen op Zoom meer geld dan nodig is voor de levering van de ingekochte diensten. 

Mogelijk is het gewenst dat (nu brieven aan de toezichthoudende instanties niet tot resultaten leiden) u als volksvertegenwoordigers deze problematiek wel die aandacht wil geven die het verdient. 

Hopende op uw inzet en vertrouwende op uw inzichten, 

met de meeste hoogachting, 

L.H. van der Kallen
Lid van de gemeenteraad van Bergen op Zoom.

 


 

 

INSPRAAKPUNT ONW INZ. INSPRAAK REACTIE – D037

 


 

Bergen op Zoom, 11 mei 2009  

 

Inspraakpunt

Ontwerp Nationaal Waterplan

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw, 

Ons Water/West-Brabant Waterbreed, een onafhankelijk samenwerkingsverband dat opkomt voor het kwalitatieve behoud en de toekomst van de Nederlandse wateren en een goed en efficiënt beheer daarvan, wenst via dit schrijven een inspraakreactie te geven op het ontwerp Nationaal Waterplan (ONW). Ter illustratie zal soms verwezen worden naar andere documenten, omdat deze ook mede onderleggers c.q. bouwstenen zijn van het ontwerp Nationaal Waterplan. 

Strategie – visie
Nederland krijgt in toenemende mate problemen met het waterbeheer. De bodem daalt in het westelijk deel. De grond klinkt bij een fors aantal bemalen percelen in. Als gevolg van klimaatveranderingen stijgt de zeespiegel en nemen neerslaghoeveelheden en neerslagintensiteiten toe. De bodemdaling is een geologisch proces dat grotendeels tot stand komt zonder menselijk ingrijpen.

De inklinking van de bemalen gronden is een proces van honderden jaren, dat mede door het peilbeheer de laatste honderd jaar is versneld. Steeds vaker zijn gronden in gebruik genomen die voor dit gebruik niet of minder geschikt waren. Dit proces gaat nog steeds door.

Het Nationaal Waterplan gaat uit van de KNMI 2006 scenario’s en de verwachtingen van de Deltacommissie voor de plausibele bovengrens op de lange termijn. Dit wordt vertaald in een Rijnafvoer van 18.000 m3/s en een Maasafvoer van 4.600 m3/s en een zeespiegelstijging tot maximaal 130 cm tot 2100. 

Wat op valt is dat, ondanks de andere benadering van het klimaatscenario dan bij de PKB/MER Ruimte voor de Rivier, de maximaal gehanteerde rivierafvoeren gelijk zijn gebleven. De onderbouwing hiervan is niet gegeven.  

Er is nagedacht over de toekomst en de houdbaarheid van het totale Nederlandse watersysteem in relatie met het huidige en toekomstige gebruik van gronden. Er is de erkenning dat de verdediging van de dijkringen 13 en 14 (grote delen van Zuid- en Noord-Holland en Utrecht) op langere termijn, bij voortzetting van het huidige beleid, moeilijker zo niet onmogelijk wordt. De risico’s nemen toe. In het besef dat de Nederlandse economie een plotseling en onvoorzien verlies van de dijkringen 13 en 14 (belangrijke economische dragers) moeilijk zo niet onmogelijk te boven kan komen, zou het voorzorgprincipe moeten leiden tot een ander beleid. Bijvoorbeeld ten aanzien van investeringen in infrastructuur en economie. Dit Nationaal Waterplan zou in deze bredere, economische, context geplaatst moeten worden. Dit is helaas niet het geval! 

Plangebied
Beperkt zich tot Nederland. Uit de tekst blijkt op geen enkele wijze hoe de Nederlandse maatregelen ter voorkoming van overstromingen aansluiten bij die van onze buurlanden. 

Ter illustratie:

Bij overstroming vanuit de Rijn in Duitsland is het zeer wel mogelijk dat het water aan de verkeerde kant van de waterkering ons land binnen komt en grote delen van het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel inundeert (tot enkele meters toe). Het betrokken waterschap beschikt over inundatie scenario’s die laten zien wat er gebeurt als Duitsland haar hoogwaterbeschermingsbeleid niet op orde zou brengen. Ook als waterkeringen in België het begeven, kunnen grote delen van Zeeuws Vlaanderen via de ‘achterdeur’ overstroomd raken. Het Nationaal Waterplan heeft de pretentie, na uitvoering, Nederland en haar bevolking tot in lengte van jaren te beschermen tegen overstromingen. Gezien het voorgaande is dit voor genoemde delen van het land, zonder afstemming en zekerstelling met België en Duitsland, niet het geval. 

Afwentelen
Bij Ons Water/West-Brabant Waterbreed ontstaat bij het lezen van het ontwerp Nationaal Waterplan het gevoel dat het principe/beginsel van ’niet afwentelen’ verlaten is of in de onderste lade van het bureau van de opstellers is verdwenen.

Reeds in de Vierde Nota waterhuishouding (1998) was er sprake van het oog hebben voor ‘afwentelen’. Als één van de criteria voor de aanpak van emissies in die Nota geldt het voorkomen van afwenteling. Dit betekent dat “behalve met de kwaliteitseisen in het eigen gebied tenminste rekening wordt gehouden met benedenstrooms gelegen watersystemen.” 

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw van professor Tielrooij (2000) schreef, in opdracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen, in haar advies de volgende uitgangspunten: “Het watersysteem moet betrouwbaar, duurzaam en bestuurbaar zijn. Water moet ook worden gezien als bondgenoot. Problemen mogen niet worden afgewenteld. Voortdurend moet de afweging worden gemaakt tussen vasthouden, bergen en afvoeren van water. En tenslotte moet water meer ruimte krijgen…. Het huidige systeem van waterbeheer kent vele mogelijkheden tot afwenteling. Te vaak leggen burgers en overheden hun problemen op het bord van de ander of sluiten de ogen voor de toekomst. De Commissie meent dat het uitgangspunt ‘niet afwentelen’ moet gelden voor het watersysteem zelf, voor de bestuurlijke verantwoordelijkheden en voor de kosten.” 

Ook in de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG) was sprake van aandacht voor de risico’s van afwentelingsgedrag. Zo luidt artikel 4 lid 8: “Bij toepassing van de leden 3, 4, 5, 6 en 7 dragen de lidstaten er zorg voor dat zulks het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn in andere waterlichamen in hetzelfde stroomgebieddistrict niet blijvend verhindert of in gevaar brengt” 

In bijlage 1 van het Nationaal Bestuurakkoord Water (NBW) ondertekend op 2 juli 2003, herbevestigd in het NBW-actueel is te lezen: “Het waterbeleid van de 21e eeuw is gebaseerd op het principe van niet-afwentelen (bestuurlijk, financieel en geografisch, in de tijd en op elk schaalniveau).” 

In de hoogwaterrichtlijn (Richtlijn 2007/60/EG) luidt artikel 7.4: “In het belang van de solidariteit mogen overstromingsrisicobeheerplannen die in een lidstaat worden opgesteld geen maatregelen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere landen in hetzelfde stroomgebied of deelstroomgebied, tenzij deze maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten in het kader van artikel 8 een overeengekomen oplossing bereikt werd.” 

Het beginsel van ‘niet afwentelen’ van waterproblemen is nationaal en internationaal op veel manieren vastgelegd. Toch moet Ons Water/West-Brabant Waterbreed constateren dat in het voorliggende ontwerp Nationaal Waterplan afwentelen vaak ‘de oplossing’ is van vele problemen. 

Van Dale verstaat onder afwentelen (in figuurlijke betekenis): “een last overdragen op anderen”.

In een artikel in H2O (17-2006) gebruikte de auteurs (Paul Baan en Frans Klijn) de volgende werkdefinitie: “Het veroorzaken of verergeren van problemen in andere waterbeheersgebieden door activiteiten in het eigen watergebied.” Ons Water/West-Brabant Waterbreed vindt dit een bruikbare werkdefinitie. Wij vinden, in dit kader aanvullend, dat het opzettelijk niet ontwikkelen van eigen oplossingen voor eigen problemen ook onder het begrip afwentelen gevat kan worden.  

Voorbeeld IJsselmeer e.o.
Wat zijn de gevolgen voor andere gebieden door de volgende voornemens? 

–         Pagina 7/8 (ONW): “In het Markermeer-IJmeer biedt dit ook mogelijkheden voor beperkte buitendijkse bebouwingruimte….. Het verlies aan waterbergingscapaciteit als gevolg van de buitendijkse ontwikkelingen hoeft niet te worden gecompenseerd.”

–         Pagina 159 (ONW): “Als uitzondering op wat is vastgelegd in de Nota Ruimte hoeft voor deze beschikbaar gestelde ruimte (buitendijkse ontwikkelingen in het IJsselmeergebied) het verlies aan waterbergend vermogen niet te worden gecompenseerd.” 

–         Pagina 159 (ONW): “Ook neemt het kabinet een principebesluit over grootschalige buitendijkse ontwikkeling bij Almere.”

–         Pagina 162 (ONW): “Grootschalige buitendijkse bebouwing is alleen mogelijk in het zuidelijk deel van het IJsselmeergebied, in de gemeenten Amsterdam, Almere en Lelystad. Deze gemeenten krijgen respectievelijk 350 ha, 700 ha en 150 ha ruimte voor nieuwe buitendijkse bebouwing.” 

Om het bovenstaande mogelijk te maken en Noord en West Nederland van zoet water te voorzien worden onder andere het Markermeer-IJmeer en de Veluwerandmeren losgekoppeld van het IJsselmeer. Dit betekent dat om dezelfde hoeveelheid zoet water te bergen, als zomervoorraad voor de droogtebestrijding, het peil op het IJsselmeer niet met circa 1,1 meter maar met circa 1,5 meter uiteindelijk verhoogd moet worden (zie ook pagina 27, Ontwerp Beleidsnota IJsselmeergebied (OBIJ)). 

Ondanks aanbeveling 2 van de Deltacommissie (“De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige locaties moet gebaseerd zijn op een kosten-batenanalyse. Hierin moeten  huidige en toekomstige kosten voor alle partijen zijn berekend. De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan profiteren.”) gaan Amsterdam, Almere en Lelystad niet de extra kosten door de extra verhoging van het IJsselmeer dragen. Noch gaan ze, als in de toekomst blijkt dat ook de waterbergingscapaciteit van het Markermeer-IJmeer alsnog nodig is, die kosten dragen. 

Dat de totale samenleving de kosten gaat dragen van de initiële verhoging van het IJsselmeer ten behoeve van de zoetwatervoorziening is logisch. Het meerdere is een subsidie van het Rijk en de andere overheden aan de drie genoemde gemeenten. 

Voorbeeld Rijnmond e.o.
Wat zijn de gevolgen voor andere gebieden door de volgende voornemens? 

–         Pagina 29 (ONW): “De combinatie van zeespiegelstijging en toename in de piekafvoeren van de grote rivieren in het benedenrivierengebied wordt het hoofd geboden met een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond en het afvoeren van piekafvoeren van de Rijn en Maas via de Zuidwestelijke Delta.”

–         Pagina 149 (ONW); Het rijk zal, in navolging van de kabinetsreactie op het advies van de Deltacommissie, samen met andere overheden onderzoek doen naar een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond, waarbij voor- en nadelen zorgvuldig in beeld worden gebracht. Deze keringen kunnen zowel open als dicht staan en zullen het Rijnmondgebied bij hoogwater kunnen afsluiten en de zouttong in de Nieuwe Waterweg terugdringen. Zo kan het Rijnmondgebied veiligheid worden geboden en tegelijk een aantrekkelijk stadsfront en natuurontwikkeling worden gerealiseerd.” Geen woord over waar het water dan naar toe gaat en de gevolgen daarvan. Ook in het artikel over dit onderzoek in het magazine “De Water”, (maart 2009) uitgegeven door het Directoraat-generaal Water van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in samenwerking met de

–         uitvoeringsorganisatie NBW, wordt wel gerept over de wijze van afvoer maar niet dat het onderzoek de gevolgen op de ontvangende wateren gaat onderzoeken.

–         Pagina 71 (ONW): “Urban Flood Management Dordrecht….Aantrekkelijk buitendijks woongebied…. De gemeente Dordrecht is voornemens om op deze wijze zo’n 1000 woningen buitendijks te gaan ontwikkelen.” 

Hoe logisch zijn deze plannen rond Dordrecht en Rotterdam? Een aantal citaten uit de notitie “Van Lobith en Eijsden naar zee” van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat wil Ons Water/West-Brabant Waterbreed in dit kader memoreren:

–         “Om de waterstand daarbij op hetzelfde niveau te houden en dus van dijkverhoging af te kunnen zien zal het rivierbed verruimd moeten worden, door bijvoorbeeld uiterwaarden te verlagen of dijken te verleggen.”

–         “Tekort aan ruimte is vooral op de Waal en Merwede’s te verwachten.”

–         “In de PKB is, zowel voor de korte als lange termijn, er voor gekozen om met rivierverruiming de afvoer richting Nieuwe Merwede (‘naar het zuiden’) te stimuleren. De Beneden Merwede wordt ontzien om de omgeving van Dordrecht,  waar de situatie al kritiek is, niet onnodig te belasten.”

–         “Dit betekent dat op de lange termijn zomerbedverdieping op de Boven en Nieuwe Merwede toch aan het PKB maatregelenpakket moet worden toegevoegd.”

–         “Ruimte voor andere ontwikkelingen zoals in de ruimtelijke ordening (woningbouw) lijkt moeilijk in het rivierengebied te vinden.” 

Ondanks de (bergings)problemen met water bouwen Rotterdam en Dordrecht al jaren buitendijks en gaan er gewoon mee door. Daarmee anderen belastend met hun waterproblemen. Het verleden neemt geen keer, maar de toekomst kan gekeerd worden! 

Als voorbeeld de Dordtse besluiten.
Dordrecht heeft mooie ‘Dordtse’ plannen “de nieuwe Dordtse Biesbosch” in de Dordtse buitendijkse gebieden. Door middel van een presentatie van een medewerkerster van Dordrecht op een bijeenkomst in Goes, op 13 maart 2009, werd de inhoud van de ‘Dordtse’ plannen uit de doeken gedaan. ‘De nieuwe bouwlocaties aan de rivier konden zorgen voor een stevige verhoging van de WOZ waarden! Bouwen in mooi gebied was goed voor het vestigingsimago! Net als voor Rotterdam was bouwen in het buitendijkse gebied, bouwen voor de bovenkant van de markt! De relatie met de rivier voegt gevraagde kwaliteit toe! Dit waren o.a. de stellingen. Bouwen buitendijks was veiliger dan bouwen binnendijks! Buitendijks zou het water bij hoog water hooguit tot je knieën komen. Binnendijks was het risico groot dat je tot boven je kruin in het water kwam te staan. Vreemd genoeg niets over het bergen van het water. Een meestromende nevengeul, in het kader van Ruimte voor de Rivier, was zelfs geschrapt. 35 miljoen rijksgeld voor Dordtse buitendijks plannen. Rijksgeld voor beleid dat in strijd is met het formele rijksbeleid! Kan Dordrecht dan geen water bergen? Zeker wel. Maar zij leggen liever een 1200 hectaren grote bouwlocatie annex recreatieterrein aan dan deze gebieden te gebruiken om rivierwater te bergen. Makkelijker is het grote delen van West-Brabant onder water te zetten als het water geborgen wordt in het Volkerak-Zoommeer. Iedere hydroloog weet te vertellen dat, als je het waterpeil ter plaatse wilt verlagen, je in de buurt dan het water moet bergen. Dit zou heel goed in grote delen van de Sliedrechtse, Dordtse en Hollandse Biesbosch met meer effect kunnen. Maar Dordrecht kiest daar niet voor. Iedere gemeente mag binnen haar eigen autonomie haar eigen keuzen maken. Maar hadden we in het Nationaal Bestuursakkoord nu niet afgesproken dat we niet af zouden wentelen? 

Dordrecht kan over deze plannen haar eigen keuzen maken, omdat het “Eiland van Dordrecht” ook grotendeels van de gemeente Dordrecht is. Terwijl bijna overal elders de uiterwaarden en buitendijkse gebieden van Rijkswaterstaat zijn of van Staatsbosbeheer. Dat het Rijk hier 35 miljoen aan bijdraagt, maakt eens te meer duidelijk dat Noord-Brabant nog steeds gezien wordt als Generaliteitsland. Dordtse problemen mogen/moeten wij volgens het Rijk oplossen. Dordrecht bouwt liever voor de eigen welvaart en de rijken, dan rekening te houden met haar buren. Die mogen wel via de rijksbelastingen mee betalen aan het veroorzaken van de wateroverlast die hen via de bergingsplannen op het Volkerak-Zoommeer.

Oorspronkelijk wilde Rijkswaterstaat wat anders. Zo is op te maken uit het volgende citaat uit het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010-2015 – ontwerp Programma Zuidwestelijke Delta, pagina 61: “De voorgestelde maatregel om voor de Dordtse Biesbosch en Nieuwe Merwede de vloedvlakte te vergroten (Polder Biesbosch), is afgevallen vanwege significante schade als gevolg van gedwongen functieveranderingen van gronden die geen eigendom zijn van het Rijk of een natuurbeherende organisatie.” Voor de eigen veiligheid had de gemeente Dordrecht het niet over om circa 500 hectare landbouwgrond, die zij in eigendom hebben en verpachten, voor waterberging in te richten. Dat zou Dordrecht inkomsten schelen. Afwentelen was voor Dordrecht goedkoper. Dordts eigen belang honoreert het Rijk met een subsidie van miljoenen en wie draaien er voor de kosten op? Het ergste is dat met dit beleid de bergingsruimte voor de toekomst ook wordt volgebouwd. 

In de PKB 1/RvR was de goede oplossing al te lezen: “Een duurzame veiligheid in het dichtbevolkte Rijnmond en het Drechtstedengebied wordt gewaarborgd door het maximaal vergroten van de bergingscapaciteit van het Rijn-Maas-mondingsgebied” (pag. 47 PKB1/RvR). 

De gevolgen van een mogelijke berging van 2 meter water in het Volkerak-Zoommeer:

–         problemen met de afwatering van de rivieren van West-Brabant

–         problemen met de lozingen via de gemalen en de RWZI’s (opvoerhoogte) in West-Brabant, Goeree-Overflakkee, Tholen, Sint Philipsland

–          scheepvaartproblemen (doorvaarthoogten Schelde-Rijnverbinding)

–         het onderlopen van alle natuurgebieden (verdrinken o.a. van grote zoogdieren)

–         onderlopen van huizen op de kade bij Tholen

–          belemmeringen uitbreidingsplannen van Bergen op Zoom (Bergse Haven)

–         noodzaak tot aanpassing van alle beroeps- en recreatie havens

–         mogelijke toename van de kweldruk in West-Brabant en op de Zeeuwse eilanden. 

Goeree-Overflakkee, Tholen, Sint Philipsland en West-Brabant krijgen de rekening voor de Rotterdamse en Dordtse bouwdrang in buitendijkse gebieden en het Rijk kijkt er naar en doet niets. Het ONW barst van de goede voornemens tegen buitendijks bouwen en afwenteling. 

Een bloemlezing uit het ONW:

–         Pagina 14 (aanbeveling Deltacommissie): “Nieuwe ontwikkeling in buitendijkse gebieden mogen niet belemmerend werken voor rivieren en meren. Bewoners/gebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor maatregelen die de gevolgen beperken.”

–         Pagina 41: “Voor buitendijkse gebieden, als onderdeel van de ruimtelijke hoofdstructuur, gelden geen wettelijke normen voor de bescherming tegen water. De gebieden zijn primair bedoeld voor afvoeren en bergen van het water.”

–         Pagina 44: “De risico’s en kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag worden afgewenteld, maar gedragen worden door diegenen die ervan profiteren.”

–         Pagina 66: “De buitendijkse gebieden vervullen primair een afvoer- en bergingsfunctie voor water ten behoeve van de veiligheid van het achterland.”

–         Pagina 69: “Om waterkeringen in de toekomst te kunnen versterken, is het kabinet van mening dat er ruimte open gehouden moet worden langs de waterkeringen in de vorm van beschermingszones, zoals vastgelegd in de legger van waterschappen.”

–         Pagina 69: “Meerlaagsveiligheid wordt opgebouwd in drie lagen: l Preventie als primaire pijler van beleid; 2 Duurzame ruimtelijke planning; 3 Rampenbeheersing op orde krijgen en houden.”

–         Pagina 139: “Uitgangspunt blijft daarbij onverkort het behouden van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit voor de rivier.”

–         Pagina 141: “Het uitgangspunt is dat de overige extra afvoercapaciteit gerealiseerd kan worden door buitendijkse maatregelen te treffen, zonder deze maatregelen expliciet te benoemen. Om de verwachte hogere afvoeren veilig af te kunnen voeren is echter onder deze voorwaarde vrijwel alle beschikbare buitendijkse ruimte in het bovenrivierengebied nodig voor de veiligheid”

–         Pagina 143: “Ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierengebied anticiperen daarbij op de lange termijn verwachtingen door projecten in één keer goed te doen en gebiedsontwikkeling te combineren met rivierverruiming voor de lange termijn.”

–         Pagina 144: “De benodigde buitendijkse en (eventuele) binnendijkse gronden dienen ruimtelijk te worden gereserveerd en gronden worden zonodig aangekocht.”

–         Pagina 160: “In de Nota Ruimte zijn voor de primaire waterkeringen ruime beschermingszones opgenomen.”

–         Pagina 37 (OBIJ): “Als voorwaarde voor alle buitendijkse ontwikkelingen geldt dat ze moeten passen binnen de natuurwetgeving en dat het functioneren van watersystemen nu en in de toekomst niet worden belemmerd.”

De bloemlezing laat zien dat er in het ONW en haar bijlagen veel woorden besteed worden aan de noodzaak niet buitendijks te bouwen. Toch staat het rijk keer op keer toe dat gemeenten bouwen op plaatsen die bestemd zouden moeten worden voor ruimte voor de rivier en voor waterberging. Daarmee stellen ze de waterbeheerders voor voldongen feiten en wentelen ze nog steeds kosteloos de lasten en de kosten af op anderen zoals de waterbeheerders, burgers en bedrijven die wonen en werken langs bijvoorbeeld het IJsselmeer en het Volkerak-Zoommeer. 

Ons Water/West-Brabant Waterbreed vindt dit geen goede ontwikkeling en een aanslag op de toekomst en de geloofwaardigheid van rijksvoornemens, zoals verwoord in het ONW. Maak het ONW consistent en stop buitendijkse ontwikkelingen. 

Zoetwaterverdeling
Op pagina 6 (ONW) is vermeld: “De hoofdsporen van deze nieuwe strategie zijn een grotere regionale zelfvoorzienendheid en een optimalisatie van de zoetwaterverdeling in het hoofdwatersysteem en de regionale systemen.” Dit klinkt Ons Water/West-Brabant Waterbreed als muziek in de oren. Voor ons betekent deze zin dat gekeken gaat worden hoe het gat/lek dat de naam draagt van De Nieuwe Waterweg gedicht gaat worden en wel op de kortst mogelijke termijn. Maak nu reeds, en niet pas na 2050, een sluisvoorziening die bij geringe rivierafvoeren gebruikt kan gaan worden en gebruik rivierwater om ook andere wateren, bij voldoende afvoer, zomer en winter door te spoelen. Overweeg het sluiten van ‘de kier’ in de Haringvlietsluizen en de mogelijkheid van een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee. Dat kan een oplossing zijn en kan in de Grevelingen een estuariene zoet-zout-overgang laten ontstaan. Dan stromen meer wateren door en krijgt de Grevelingen en de Oosterschelde de nutriënten om de kraamkamers te worden en te blijven van de Delta. 

‘Afsluitbaar open Rijmond’
Op pagina 7 (ONW) is vermeld: “In navolging van het advies van de Deltacommissie, zal het rijk samen met andere overheden onderzoek doen naar een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond.”

Betrek daar ook bij de overheden, die belanghebbend zijn bij de ontvangende benedenstroomse wateren. 

Voldoende bergingscapaciteit
Op pagina 8 (ONW) is vermeld: “Het Noordelijk Deltabekken en het Volkerak-Zoommeer zullen voldoende capaciteit voor afvoer en berging moeten bieden om de toename van de afvoer van de grote rivieren te kunnen verwerken.” Koppel het Markermeer-IJmeer niet van het IJsselmeer af. Gebruik het gehele voormalige Zuiderzee systeem voor de waterberging. Dat verdeelt de lasten eerlijker.

Gebruik buiten het Volkerak-Zoommeer systeem ook de Grevelingen voor de berging bij grote afvoeren (zoals aangeven op kaart 23 pagina 179, ONW en in aanbeveling 8 van de Deltacommissie). Dit maakt de problemen voor het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk kleiner. Als daarbij een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee wordt gemaakt kunnen meerdere problemen tot een oplossing komen. 

Beschermingszones
Op pagina 43 (ONW) is vermeld: “Het huidige juridische instrumentarium (voor het hoofdwatersysteem) biedt voldoende mogelijkheden om ruimtelijke reserveringen voor tien jaar of langer te kunnen maken.” “Voor het kustfundament geldt bijvoorbeeld een beschermingszone voor mogelijke versterkingen in de komende tweehonderd jaar.” 

Op pagina 39 (OBIJ) is vermeld: “In de Nota Ruimte is een beleidsuitspraak opgenomen over de 275 meter brede beschermingszone rond primaire waterkeringen – een zone van 100 m landinwaarts en een zone van 175 m buitendijks – waarbinnen in principe geen bebouwing mag plaatsvinden. Deze beschermingszone is ingesteld met het oog op mogelijke toekomstige dijkversterkingen.”

Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is het van de gekken dat voor buitendijkse gebieden feitelijk gekeken wordt naar de korte termijn (zie de bouwwoede van bijvoorbeeld Rotterdam en Dordrecht) en voor de kust terecht een beschermingszone wordt gehanteerd voor de lange termijn (200 jaar). 

Het wordt tijd dat ook voor de bescherming tegen rivierwater op planologische harde wijze ruimte wordt gereserveerd (voorberging en afvoer) gericht op de lange termijn van bijvoorbeeld 200 jaar. Anders blijven gemeenten RWS en waterschappen voor voldongen feiten stellen en feitelijk afwentelen op anderen. Een beleidsuitspraak zonder wettelijke verankering werkt niet, zo blijkt.

Ons Water/West-Brabant Waterbreed heeft met instemming kennis genomen van de aangekondigde verkenning naar de wijze waarop kosten-baten- en risicoanalyses moeten worden uitgevoerd bij nieuwbouwactiviteiten op fysisch ongunstige locaties (pagina 46, ONW). Hierbij vragen wij ook de kosten van anderen, zowel beneden- als bovenstrooms, te betrekken, die zij ook in de verre toekomst moeten maken als gevolg van deze nieuwbouwactiviteiten. 

Peilhandhaving Brabantse kanalen/zoetwatervoorziening
Op de kaart afgebeeld op pagina 84 (ONW) is aangegeven dat ‘peilhandhaving op de Brabantse kanalen moeilijk wordt’. Nergens in het ONW is op dit thema en de mogelijke maatregelen ingegaan. Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is dit een belangrijk thema aangezien bij een mogelijke alternatieve zoetwatervoorziening, bij verzilting van het Volkerak-Zoommeer systeem, deze kanalen een belangrijke leverancier van zoet water zouden moeten zijn.

Met instemming hebben wij op pagina 88 (ONW) kennisgenomen van de tekst: “Ook zal worden bekeken in hoeverre bestaande zoetwaterbekkens in de Zuidwestelijke Delta behouden kunnen worden en hoe de zoetwatervoorziening kan worden gecompenseerd als deze als gevolg van het herstel van de zoet-zoutgradiënt verdwijnen.” Wat ons echter steekt is de tekst op pagina 91 (ONW) met betrekking tot de “Reële prijsbepaling zoetwatervoorziening”. Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is het uitgangspunt dat diegenen, die besluiten nemen die kosten veroorzaken voor anderen, die door hen veroorzaakte kosten volledig dragen. Ook kan het niet zo zijn dat boeren in Zeeland en West-Brabant voor behoud van bestaande zoetwaterrechten, waarvoor in het verleden door hen is geïnvesteerd, zouden moeten gaan betalen, terwijl boeren elders (de Randstad) voor nieuwe voorzieningen niets hoeven te betalen. 

Financiering groenblauwe diensten
Met instemming heeft Ons Water/West-Brabant Waterbreed kennis genomen van het kabinetsstandpunt weergegeven in ‘Health check Gemeenschappelijk Landbouw Beleid’ dat Europese inkomenstoeslagen sterker gekoppeld dienen te worden aan het realiseren van maatschappelijke waarden, zoals het instandhouden van landschap, natuur, een vitaal platteland, duurzaam waterbeheer en de zorg voor milieu en dierenwelzijn (pagina 107, ONW). Hopelijk kan op deze wijze inhoud gegeven worden aan een rechtvaardiger financiering van door boeren geleverde groenblauwe diensten. 

Functioneel aanbesteden
Wat is in het kader van de vermelding op pagina 135 (ONW) “ functioneel aanbesteden”? 

Ontwerp Beleidsnota Waterveiligheid (OBW)
Met interesse heeft Ons Water/West-Brabant Waterbreed kennis genomen van het kabinetsvoornemen erop in te zetten dat provincies en gemeenten bij de ruimtelijke inrichting expliciet gaan afwegen of het nodig en wenselijk is de gevolgen van een overstroming (aantal slachtoffers, economische schade en ecologische schade) te beperken. Met name met als oogmerk te komen, in gezamenlijkheid met provincies, gemeenten en waterschappen, tot de ontwikkeling van overstromingsrisicozonering (pagina 28 OBW). Wij hopen dat dit zal leiden tot een ander beleid. Zeker als het gaat over: waar willen wij als land nog woningbouw en bedrijfsvestigingen stimuleren en deze met de aanleg van infrastructuur ondersteunen? Er is meer Nederland dan alleen de Randstad! 

Verzilting
Ons Water/West-Brabant Waterbreed onderschrijft de stelling op pagina 22 (OBIJ); “Ook het beoogde herstel van de zoet-zout-gradiënt in de Zuid-Westelijke Delta genereert extra vraag naar zoet water.”

Uit het gehele ONW inclusief de bijlagen spreekt een aanvaarding van de verzilting als een feit waaraan niet te ontkomen valt.

Leggen we het hoofd in de schoot en accepteren we de giga economische schades als gevolg  van de verzilting of zoeken we naar alternatieven die de beschikbaarheid van voldoende zoet water garanderen? Beseffen we voldoende welke industrieën en land- en tuinbouwgebieden om zeep geholpen worden door de acceptatie van de verzilting.

Bezint eer gij begint met maatregelen die grote, niet te overziene, gevolgen hebben voor onze land- en tuinbouw, drinkwatervoorziening en industrie en daarmee voor het economisch fundament van onze samenleving.

Bekijk of andere, meer duurzame, oplossingen alternatieven bieden en tegelijkertijd de zoetwatervoorziening voor alle belanghebbenden zekerstellen.

Geen uitvoering van het Kierbesluit en geen verzilting van huidige zoete deltawateren.

Pak het ‘lek’ op de Nieuwe Waterweg aan. 

Maak nu reeds, en niet pas na 2050, een sluisvoorziening die bij geringe rivierafvoeren gebruikt kan gaan worden en gebruik rivierwater om ook andere wateren, bij voldoende afvoer, zomer en winter door te spoelen.

Overweeg of een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee een oplossing kan zijn om in de Grevelingen een estuariene zoet-zout-overgang te laten ontstaan. Dan stromen meer wateren door en krijgt de Grevelingen en de Oosterschelde de nutriënten om de kraamkamers te worden en te blijven van de Delta. 

Vertrouwende op een serieuze behandeling van onze reactie. 

Hoogachtend,

Namens de fractie Ons Water/West-Brabant Waterbreed 

H.J.M. Poppelaars 

L.H. van der Kallen

voor nadere informatie 0164-265158