HUIZEN ALS KILOKNALLERS

 

    


| 10-05-2021 |

 

 

In de NRC van 17 april 2021 las ik een opinieartikel met de kop “Stop met die kiloknallers van steen”, geschreven door Ninke Happel, een architect. Ik dacht toen meteen aan de Bergse plannen rond het Mazairac-terrein.

Als je kijkt naar de stedelijke ontwikkeling van Bergen op Zoom dan zie je dat tot en met de jaren vijftig van de vorige eeuw een grote verscheidenheid aan woningen, straten en buurten is ontwikkeld. In de jaren zestig werd de volkshuisvesting in de uitverkoop gedaan. Eenheidsworst van woningen, straten en buurten was de droeve prijs. In de jaren tachtig en negentig greep de privatisering om zich heen. De VVD zat permanent in de regeringscoalities en drukte zijn privatiseringsstempel op het (volkshuisvestings-) beleid met als gevolg: de gemeentelijke woningbedrijven moesten verkocht worden en/of fuseren met coöperaties. Dat werd met wet en (subsidie-)regelgeving afgedwongen. Kortom: de ‘markt’ moest de volkshuisvesting gaan regelen.

Mijn probleem met deze ontwikkelingen is dat marktpartijen niet gericht zijn op wonen als grondrecht! Het rare is dat in de Grondwet alleen indirect een ‘recht’ op wonen wordt verondersteld (artikel 12). In artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het ‘huisrecht’ opgenomen in het kader van de privacy. Dit is ook het geval in het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 17).

“Voor marktpartijen is wonen een verdienmodel. Zij of hun aandeelhouders hechten primair waarde aan winstmaximalisatie”, aldus het artikel in de NRC. Sluipenderwijs is efficiëntie, optimalisatie en standaardisatie de norm geworden in de woningbouw. Een sterke ondernemerslobby in Den Haag garandeert zo hoge opbrengsten voor de ontwikkelaars en voor de gemeenten via hun grondprijzen.

Met als gevolg steeds kleinere en duurdere wooneenheden in volgens de ontwikkelaars ‘hippe’ torens. De Mazairac plannen zijn een pregnant voorbeeld! En dat allemaal om – volgens de Haagse politiek en projectontwikkelaars – ‘betaalbare’ woningen voor starters te kunnen bouwen.

Met alweer als gevolg een afgedwongen “wooncarrière”, waarbij steeds – bij iedere verhuizing – opnieuw badkamers en keukens vernieuwd worden en aangepast aan de smaak van de verhuizers. Dat alleen al is verre van duurzaam. Nieuwe woningen worden zoveel mogelijk fabrieksmatig in CO2- uitstotend inflexibel beton uitgevoerd. Ze zijn tegen de tijd dat de hypotheek is afgelost toe aan grootonderhoud of sloop. Hoe duurzaam is dat? De in serie gebouwde woningen in de jaren vijftig, zestig en zeventig in de Bergse wijk Oost worden nu deels gesloopt. Dat soort sloop zie je niet in de kwalitatief goedgebouwde wijken van voor de oorlog.

Waar is onze volkshuisvestingstraditie? Wanneer staat er weer een Floor Wibaut op? Als je kijkt naar de discussie van Buitenhof op 9 mei 2021 zakt de moed mij in de schoenen: wel veel gepraat over de kwantiteit maar niet over de kwaliteit. Met ander woorden: de komende tien jaar gaat er weer gebouwd worden voor de sloop van over 30 tot 50 jaar. Ook dit is niet duurzaam! Het wordt tijd dat de Nederlandse politiek weer oog krijgt voor kwaliteit en echte duurzaamheid en dat de sociale woningbouw weer echte sociale woningbouw wordt en niet gebruikt wordt als grootleverancier van belastinggeld via de verhuurdersheffing, zodat huizen gebouwd kunnen worden die er over honderd jaar nog staan en bewoonbaar blijven. Stoppen met de feitelijk afgedwongen “wooncarrière” van starters.

Het grondrecht ‘wonen’ hoort, wat mij betreft, in de Grondwet. Er is mijns inziens een onweerlegbaar verband tussen wonen en de overheidszorg die wel in de Grondwet geregeld is:

  • Eerbiediging levenssfeer (artikel 10);

  • Privacy (artikel 12);

  • Bestaanszekerheid (artikel 20);

  • Leefbaarheid (artikel 21) en

  • Volksgezondheid (artikel 22)!

Nu nog Haags beleid dat hiermede aan de slag gaat. Of: wie wordt de nieuwe Jan Schaefer met de gevleugelde uitspraak: “In gelul kan je niet wonen”? Later toen hij wat beschaafder was geworden omgezet in: “in geouwehoer kun je niet wonen.”

 

Louis van der Kallen.



GOED VOORBEELD OP DE LOCATIE VAN KAAM

 

    


| 10-05-2021 |

 

 

Soms is een bouwplan een voorbeeld voor de bouwsector en laat het zien hoe – in een veranderende wereld waar het klimaat andere eisen stelt – vernieuwende ondernemers daarmee om kunnen gaan en met een relatief detail het verschil kunnen maken.

Op de locatie Laan van Borgvliet waar vroeger Van Kaam gevestigd was, komt een vijftal woningen waarvan één levensloopbestendig. Het nieuwe is een hemelwatersysteem dat uitloopt in de kruipruimte van de woningen. Deze kruipruimte wordt zodanig ingericht dat zij kan dienen als waterbuffer om het hemelwater in de bodem te laten infiltreren. Dit is een bijdrage aan de aanpak van de verdroging van de bodem in plaats van het water snel af te voeren. Naar mijn kennis is het in Bergen op Zoom en de regio voor het eerst dat dit systeem op deze wijze wordt toegepast.

Aannemingsbedrijf Deurloo uit Tholen verdient wat mij betreft een compliment en ik hoop op navolging bij andere bouwprojecten.

 

Louis van der Kallen.


STAPPEN NAAR ONTMANTELING?

 

    


| 09-05-2021 |

 

 

Nederland is staatrechtelijk een gedecentraliseerde eenheidsstaat. De waterschappen zijn net als de provincies en de gemeenten gedecentraliseerde overheidslichamen. Waterschappen onderscheiden zich van provincies en gemeenten door hun specifieke taak (of functie): de waterstaatszorg. Provincies en gemeenten hebben in principe een onbepaalde taak, terwijl de taak van waterschappen bepaald is. Deze beperking van de taak maakt de waterschappen tot lichamen van functionele decentralisatie. Bepalend voor provincies en gemeenten is het gebied waarbinnen zij verschillende taken vervullen. Provincies en gemeenten worden daarom vormen van territoriale decentralisatie genoemd.

Vanaf 1993 zit ik in waterschapsbesturen en heb ik in de loop der tijd bestuurlijke functies mogen vervullen in een tiental waterschappen. Zo was ik rond 2005 van Domburg tot Winterswijk over de volle breedte van ons land actief in waterschapsbesturen. Ik heb veel zien veranderen. Ik was deelgenoot van een opschaling van ongekende omvang. Als voorbeeld mijn ‘eigen’, huidige waterschap: Brabantse Delta had maar liefst meer dan 230 rechtsvoorgangers. Interesse in de stamboom van de Brabantse Delta, kijk dan eens op: Stamboom.

Toen ik begin jaren negentig als bestuurder begon, waren er nog zestien waterschappen in Noord-Brabant, nu nog drie , alsmede een stukje Waterschap Rivierenland ( het voormalige Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch ). Waterschappen hebben een enorm fusietraject doorlopen. Rond 1850 waren er in Nederland ongeveer 3500 waterschappen in 1950 nog circa 2500 en nu nog 21. Minder dan 1 % van het aantal in 1950! Recordhouder is het huidige waterschap Rivierenland dat – naar mijn kennis – 474 rechtsvoorgangers kent. Ook in het werkgebied van mijn eigen waterschap Brabantse Delta waren in 1950 nog meer dan 200 waterschapjes. Effect van al die fusies: een meer deskundige organisatie. De fusies waren tot op zekere hoogte ook nodig vanwege de toegenomen taken en de complexiteit daarvan.

Maar de fusies kenden ook een hoge prijs: minder betrokkenheid en gebiedskennis van de bestuurders. Het werden bestuurders op afstand en na 2008 vooral politieke bestuurders met vaak bitter weinig kennis over de voor het waterbeheer benodigde technische- en gebiedskennis. Maar wat nog erger is: de passie voor het gebied en de bijzondere taken van waterschappen ontbreekt vaak bij politici. Besturen wordt leunen op de kennis van de ambtenaren in plaats van (mede) gebaseerd op de eigen kennis en betrokkenheid bij het gebied.

Het verschil in opschaling met de gemeenten is gigantisch. In 1850 waren dat er in Nederland nog circa 1240, in 1950 circa 1000 en nu nog 347. 35 % van het aantal in 1950!

Zelf ben ik geen voorstander van verdere fusies. De afstand tot de burger wordt alsmaar groter en de kennis van het gebied of de dorpen of stad steeds kleiner. Nu zijn er gemeenten met tientallen dorpen. Ik zou daar nooit raadslid willen zijn. Het bijhouden van wat er leeft is dan, naar mijn inzicht, schier onmogelijk. Toen ik waterschapbestuurder werd van Zoomvliet was ik nog in staat op perceelniveau te weten wat er speelde, hoe er geboerd werd en wat de natuurwaarden waren. Met de opschaling naar het Scheldekwartier werd dat al heel moeilijk, maar je kende de collega-bestuurders in de buurt van een perceel nog. Met de komst van het waterschap Brabantse Delta (meer dan 170.000 hectaren groot, meer dan 800.000 inwoners, meer dan 8100 kilometer aan sloten, beken, rivieren in beheer en binnen 21 gemeenten werkzaam) is dat niet meer mogelijk. Dan is passie nodig en liefde voor de taken.

Begonnen in 1993 in een bijna puur door agrariërs bestuurd waterschapje Zoomvliet waarin ik als stadsjongen een buitenbeentje was, maak ik nu deel uit van een waterschapsbestuur waarin agrariërs een relatief kleine minderheid zijn, waarvan er drie van mijn zevenkoppige fractie deel uit maken.

Met de politisering (de invoering van het lijstenstelsel) is het waterschapsbestuur enorm veranderd. Achteraf vraag ik mij af of het een vooropgezet plan is de waterschappen eerst hun specifieke karakter te ontnemen door verwatering en politisering om daarna ze te incorporeren in bijvoorbeeld de provincies of landsdelen van samengevoegde provincies.

Na de ongekende concentratie via grotendeels opgelegde fusies is de politisering begonnen in 2008 door afschaffing van het personenstelsel (waar niet partijen maar individuele personen zonder partijbinding gekozen werden) bij de verkiezingen van het waterschapsbestuur. Sinds 2008 kennen de waterschappen net als andere overheden een lijstenstelsel waarmee voor de categorie ingezetenen politieke partijen gekozen worden. Gevolg: (oud-) raadsleden en statenleden gingen de zetels vullen waardoor de deskundigheid in hoog tempo verdween. Vanzelfsprekend verschoof de bestuurlijke aandacht grotendeels naar onderwerpen die ook een algemeen bestuur van een gemeente of provincie behartigen. De nieuwe bestuursleden hadden immers ervaring opgedaan in de duale gemeenteraden en provinciale staten. De specifieke taken werden steeds meer in een bredere context geplaatst met als gevolg discussies over multifunctionaliteit van bijvoorbeeld dijken. Hoe logisch dat ook lijkt, het maakt discussies over dijken er niet eenvoudiger op. En dijkverbeteringen zijn in een vol landje al heel moeilijk. Omstreeks die tijd wilden ook een aantal politieke partijen de waterschappen opheffen. Nu loopt er weer een discussie over de geborgde zetels waar, in mijn beleving deskundigheid, betrokkenheid en passie nog wel enigszins aanwezig is.

Maar wat erger is: de politisering leidt in een polariserende samenleving tot een veranderende bestuurscultuur. Het op honderden jaren monisme gebaseerde waterschap wordt sluipenderwijs duaal. Stapje voor stapje komt de politisering en de dualisering – wat ik als gif ervaar – binnen en worden kerntaken van het waterschap zoals veiligheid deels ondergeschikt gemaakt aan andere publieke taken. De verdergaande politisering leidt tot bestuurlijke situaties die voor waterschappen ongekend zijn. Zie de bestuurscrises in het Hoogheemraadschap Hollandse Delta (ik schreef er eerder over).

De verschuiving van monistisch naar duaal is er één van kleine stapjes. Sluipenderwijs wordt de politisering steeds verder doorgevoerd. De boerendijkgraven zijn bijna allemaal vervangen door politici die de geëigende partijrangen in gemeenten, provincies en parlement hebben doorlopen. En keer op keer zie ik tekenen van ontmanteling van het eigene van de waterschappen. De nieuwe Omgevingswet is ook weer een voorbeeld. De Keur en de Legger – typische waterschapsaanduidingen die al honderden jaren meegaan – moeten “verordeningen” worden. Gelijkschakeling met de gemeentelijke en provinciale termen. Maar ook andere zaken worden meer duaal. Ook bevoegdheden verschuiven in duale richting. Projectplan en het projectbesluit worden in die wet toegewezen voor de besluitvorming aan het Dagelijks Bestuur of College van Heemraden in plaats van het Algemeen Bestuur (AB) of de Verenigde Vergadering (VV). Steeds meer besluiten moeten lager in de organisatie – dus steeds verder van het AB of VV af – genomen worden.

Ook in de wijze van financiering zie je steeds meer gemeentelijke of provinciale trekjes. Dat de invoeringskosten van de Omgevingswet gedragen worden door de veroorzaker (het Rijk) is logisch maar dat de eventuele gestegen uitvoeringskosten door het Rijk betaald zouden moeten worden is in strijd met de traditionele eigen financiering van de waterschappen. De waterschappen hebben hun eigen belastingsystemen die normaliter 100 % van de eigen kosten horen te dekken. Dan verlangen dat het Rijk die gaat betalen is vragen om een soort waterschapfonds, zoals gemeenten en provincies hun provincie- en gemeentefonds hebben, de geldstroom van het Rijk naar provincies en gemeenten.

Waterschappen worden zo afhankelijk gemaakt van het duaal ingerichte Rijk en in lijn gebracht met de andere lagere overheden. De opheffing komt met de gelijkschakeling steeds dichterbij.

Is de waterveiligheid en kwaliteit er op termijn mee gediend als de afweging dijkverbetering of iets anders wat electoraal of op de korte termijn aantrekkelijker is een politieke wordt? De waterschapbesturen zijn met de politisering overgenomen door de meer op korte termijn denkende alfa’s. (ik schreef er eerder over). De bèta’s, gericht op kwaliteit veiligheid en de langere termijn, zijn bijna allemaal verdwenen. The last of the Mohicans schrijven dit soort stukjes in de hoop dat iemand er eens over nadenkt. Willen we echt dat de waterschappen heropgericht worden, wanneer Amersfoort aan zee ligt? Als politici de macht helemaal overgenomen hebben en de waterkennis is geprivatiseerd en gecommercialiseerd zal de weg terug heel moeilijk worden. Ze hebben geen idee hoe mooi het kind was wat met het badwater is weggegooid.

Ik zou willen dat (waterschaps-)politici de geschiedenis van de calamiteuze waterschappen in Zeeland eens tot zich zouden nemen en beseffen dat de ontwikkelingen van nu deels lijken op de fouten die in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in Zeeland gemaakt werden. Ook toen was men op de korte termijn zuinig. In de politiek is geld (lees: belastingen) te vaak de dominante factor. Ik prefereer de focus op de kerntaken van een waterschap door de eeuwen heen. Die focus en de samenwerking en taak verdeling tussen de waterschappen en Rijkswaterstaat heeft ons uiteindelijk gebracht waar we gekomen zijn. Ook Rijkswaterstaat wordt niet meer geleid door de technici. Ook daar hebben de alfa-managers het overgenomen. KEER, KEER, KEER! Of zijn de stappen naar ontmanteling een bewust proces?

 

Louis van der Kallen.

 


DE KREKEL EN DE MIER

 

    


| 05-05-2021 |

 

 

De krekel en de mier Is een Jean de La Fontaine fabel in de traditie van Aesopus een Griekse dichter (ca. 620-560 v.Chr.) die bekendheid verwierf door zijn fabels (verhalen) waarin dieren zich gedragen als mensen (personificatie). Het gaat daarbij vooral om de moraal van het verhaal.

De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,

Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door ’t gras

“Ik vrolijk je wat op,” zei hij. “Kom, luister naar mijn lied.”

Zij schudde nijdig met haar kop: “Een mier die luiert niet!”

Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.

Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.

Doorkoud en hongerig kroop hij naar ’t warme mierennest.

“Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest

Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,

Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe ‘k niet vlug!”

“Je weet dat ik aan niemand leen,”

Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.

“Wat deed je toen de zon nog straalde

En ik mijn voorraad binnenhaalde?”

“Ik zong voor jou,” zei zacht de krekel.

“Daaraan heb ik als mier een hekel!

Toen zong je en nu ben je arm.

Dus dans nu maar, dan krijg je ’t warm!”

Moraal

Wie leeft van kunst gaat door voor gek.

Vaak lijdt hij honger en gebrek.

 

Louis van der Kallen.


DE EZEL EN DE VOERMAN

 

    


| 04-05-2021 |

 

Aesopus, vaak ook Aisopus genoemd was een Griekse dichter (ca. 620-560 v.Chr.) die bekendheid verwierf door zijn fabels (verhalen) waarin dieren zich gedragen als mensen (personificatie). Het gaat daarbij vooral om de moraal van het verhaal.

De Ezel en de Voerman

Een voerman leidde zijn ezel langs een bergpas. Plots haalde de ezel het in zijn onnozele hoofd om zijn eigen weg te kiezen. Aan de voet van de berg zag hij zijn stal staan. De ezel wou van de berg afspringen omdat hij dacht dat dit de kortste weg naar zijn stal was. Net toen hij wilde springen, hield zijn meester hem vast bij zijn staart en probeerde hem terug te trekken. Maar de koppige ezel wou niet toegeven en trok uit alle macht naar de kant van het ravijn. “Heel goed,” zei de meester, “doe maar zoals jij het wilt, eigenzinnig beest, en let maar eens op hoe dat gaat aflopen.” Hij liet de staart los en de domme ezel viel hals over kop van de berg in de ravijn.

Moraal

Wie niet wil luisteren naar mensen die het goed menen, loopt vaak in zijn eigen ongeluk. Wie niet horen wil, moet maar voelen. Uiteindelijk werkt dat ook zo in de politiek. In een democratie krijgt het volk de leiders die het kiest en daarmee het beleid waarvoor het gekozen heeft. Of toch niet? Als de werkelijkheid een ongewenste is gebleken, of de mooie beloften misleiding, was het wel de eigen keuze om op de partijen en personen te stemmen die dat ongewenste tot stand hebben gebracht. Eigen schuld, dikke bult! Goedgelovigheid blijkt dan een groot probleem.

Velen hebben nu spijt van hun stem, uitgebracht bij de Tweede Kamer verkiezingen. Rutte bleek anders. Mevrouw Kaag bleek in haar gedrag in de minsterraad toch anders dan ze zich voor deed. Haar ‘nieuw’ leiderschap is meer haar kleding, schoen en dans keuze dan haar moreel en integer handelen. Over vier jaar zal het allemaal vergeten zijn. Of bent u dan geen onnozele ezel en luister u dan wel naar de wijze voerman?

 

Louis van der Kallen.


MACHT EN TEGENMACHT


| 03-05-2021 |

 

Macht en tegenmacht zijn woorden die de afgelopen weken de media domineren als het gaat over ons landsbestuur. Zeker het woord ‘tegenmacht’ intrigeert mij. Mijn ‘Dikke Van Dale’ (editie 1999) kent het woord niet, terwijl bij de uitleg over macht maar liefs 80 woorden zijn opgenomen waarin ‘macht’ een deel van het woord is. Ook mijn WNT (Woordenboek der Nederlandse Taal; 37 delen, 188 centimeter) kent het woord ‘tegenmacht’ niet en aan machtwoorden worden daarin twaalf kolommen besteed. Het woord tegenmacht lijkt door Pieter Omtzigt geïntroduceerd in het politieke jargon als een soort duiding van streven naar balans.

Wat mij stoort is de geringe kennis van de aard van het monisme als bestuurlijk systeem. Waar het nu over gaat in de relatie regering en parlement is ‘coalitie-monisme’ een vorm van achterkamertjespolitiek (een monisme in beslotenheid), een monistische praktijk waarin regeringsfracties één machtsblok vormen en feitelijk de andere partijen uitsluiten. Formeel is het politieke systeem op gemeentelijk, provinciaal en parlementair niveau een duaal systeem. Onder het dualistisch adagium: de regering regeert en het parlement controleert. De werkelijkheid blijkt helaas anders!

Het waterschap functioneert formeel als een monistisch systeem. In werkelijkheid transformeert dat sinds 2008 ( de invoering van het lijstenstelsel met politieke partijen in plaats van een personenstelsel) ook naar een duaal systeem met alle gevolgen van dien. Zie bijvoorbeeld de bestuurscrises bij het waterschap Hollandse Delta. Ook op landelijk niveau kenden we tot 1918 een personenstelsel waarbij personen via een eigen programma in hun district verkozen werden. Dus op persoonlijke titel en niet op de slippen van een lijsttrekker en een partij.

In mijn hart ben ik een monist. Maar wel een pure. Regeren doen we samen, het college van B&W met de gemeenteraad, het college van GS met de Provinciale Staten en de regering met de Tweede Kamer. Dus niet met een coalitie en een oppositie. In het waterschap Brabantse Delta probeer ik dat overeind te houden en als grootste fractie (7 van de 30) is het na de laatste verkiezingen ook gelukt om samen met alle fracties een bestuursakkoord te sluiten, waarbij rekening is gehouden met de inbreng van alle fracties.

Ik heb moeite met de termen ‘macht’ en ‘tegenmacht’ . Ik geloof in dingen samen doen. Kennis en inzet bundelen voor een betere samenleving. Ik koester de slogan van het Marshall Plan: Whatever the weather, we only reach welfare together. Niet alleen in crises maar ook onder min of meer ‘normale’ omstandigheden werkt echt monisme (dus geen ‘coalitie-monisme’) naar mijn mening beter dan dualisme.

Ik vraag mij steeds meer af: kan het consensusverlangen in onze samenleving wel een echt tegengeluid verdragen? Hoe bereik je in een polariserende maatschappij de consensus die als samenleving zo wenselijk is. Dat vergt in mijn beleving geen macht en tegenmacht maar gezag! Op basis van kennis en kwaliteit verkregen.

Nu zie ik in het parlement de ‘tegenmacht’ opgeëist worden met mediapolitieke tactiekjes. Dan gaat het naar mijn gevoelen niet om het principe van de tegenmacht maar om de eigen macht.

Recent schreef ik over de rode lijn die Rutte en de VVD naar mijn gevoelen hebben overschreden. Nu ligt er de rapportage van Tjeenk Willink. Zijn conclusie: “Het wordt tijd voor deskundige ministers”.

Zijn stelling: ga voor een beknopt regeerakkoord met als argument “Als niet alles van A tot Z vastligt, stelt dat hoge eisen aan de deskundigheid van ministers. Zij zullen meer op hun eigen oordeel moeten afgaan en minder steunen op invloed van externe deskundigen, beroepsgroepen , lobbyisten en consultants.” Ik denk een illusie! In de politiek zijn de alfa’s aan de macht en die komen niet verder dan een beetje management denken. Dus ze blijven afhankelijk van de kennis van anderen.

De vraag is: kan dit met Rutte? Tjeenk Willink denkt van wel. Rutte zou nu radicale ideeën over een andere, nieuwe bestuurscultuur delen. Hij had “diep en lang nagedacht over zijn eigen rol.” Rutte’s ‘radicale’ ideeën kwamen echter pas bovendrijven toen er een motie van wantrouwen dreigde. Voor mij is dit een teken van zijn politieke overlevingsdrang, niet meer en niet minder. Als de hamer is gevallen gaat hij glimlachend weer verder waar hij gebleven was. Rutte is nu zelfs voor meer geld voor een sterkere rechtspositie voor de burgers en voor ‘waarborgen’ in wet en regelgeving om schrijnende effecten te voorkomen. Hoe geloofwaardig is dat als de VVD gruwt van de ‘discretionaire bevoegdheden’ en hebben zijn VVD en zijn regeringen de sociale advocatuur niet tot op het bot uitgekleed?

Wonderbaarlijke metamorfoses kennen we in het dierenrijk waar larven zich kunnen ontpoppen tot prachtige vlinders en lieveheersbeestjes. Ze doen er soms een hele winter over. Of soms zelfs een jaar om één dag te schitteren zoals de mei- of ééndagsvliegen. Rutte is geen ééndagsvlieg. Hij overleeft met zijn manipulatietalent al vele jaren.

Ter overdenking een tweetal spreekwoorden uit het woordenboek van Harrebomée uit 1861: “Die iets heeft van nature, Zal ’t tot in ’t graf hem duren” en “Op eenen betreden weg wast geen gras.” “(Deze algemeene waarheid wordt bijzonder toegepast op de onvruchtbaarheid ven openbare ligtekooijen)”. Aldus de uitleg in het spreekwoordenboek van de hand van Harrebomée. Rutte heeft het gras vertrapt. Hij is gebleken een slechte en moreel verderfelijke tuinman te zijn. De grond is kei- en keihard geworden. Het wordt tijd voor een tuinman of vrouw met liefde voor de bodem, verstand van water, verstand van gewassen en kennis hoe deze kwaliteiten te combineren tot een mooi gewas.

Het spreekwoord; “De vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken” is niet voor niets in gebruik gebleven. Waarom? Het is nog steeds geldig, ook voor de sluwe vos Reinarden van deze tijd.

 

LOUIS VAN DER KALLEN.


DE LEEUW, DE EZEL EN DE VOS

 

    


| 02-05-2021 |

 

Aesopus, vaak ook Aisopus genoemd was een Griekse dichter (ca. 620-560 v.Chr.) die bekendheid verwierf door zijn fabels (verhalen) waarin dieren zich gedragen als mensen (personificatie). Het gaat daarbij vooral om de moraal van het verhaal.

De leeuw, de ezel en de vos

Een leeuw, een ezel en een vos gingen op jacht, nadat ze een bondgenootschap hadden gesloten. Nadat veel dieren gevangen waren, droeg de leeuw de ezel op de buit te verdelen. Nadat deze de vangst in drie gelijke stukken had verdeeld, spoorde hij de leeuw en de vos aan te kiezen. Toen werd de leeuw boos en at de ezel op. Daarna beval hij de vos te verdelen.

Nadat deze alles in een deel had opgestapeld, liet hij een klein stuk voor zichzelf over. De leeuw (zei) tegen hem: “Wie, o beste, leerde jou zo te verdelen?” Hij zei: “Het ongeluk van de ezel.”

Moraal

Deze fabel toont dat het ongeluk van de naasten leidt tot matigheid en bescheidenheid. Je zou er echter ook de machiavellistische les in kunnen zien, dat de koppige, domme ezel dacht dat hij van een machtige onderhandelingspartner ongestraft een evenredig deel kan opeisen, terwijl de sluwe vos rekening hield met het machtsverschil. En vervolgens dus ook niet het gewelddadige machtsmisbruik van de leeuw als reden geeft voor zijn eigen opportunisme, maar het ‘ongeluk van de ezel’, zodat hij niet alsnog de leeuw voor het hoofd stoot en wordt opgegeten.

Ook voor een gemeente (groot of klein) geldt: ken je rol en je positie. Soms moet je de grotere of sterkere iets gunnen om je eigen bescheiden deel binnen te kunnen halen. Dat geldt ook als je maar een klein partijtje bent en deel neemt onderhandelingen met een (hele) grote! De kleintjes zijn gewaarschuwd. Velen hebben de ‘samenwerking’ met bijvoorbeeld VVD mogen bekopen met verlies van eigen identiteit, herkenbaarheid en zetels!

 

Louis van der Kallen.

 


DE TROMPETTER

 

    


| 01-04-2021 |

 

Aesopus, vaak ook Aisopus genoemd was een Griekse dichter (ca. 620-560 v.Chr.) die bekendheid verwierf door zijn fabels (verhalen) waarin dieren zich gedragen als mensen (personificatie). Het gaat daarbij vooral om de moraal van het verhaal.

De trompetter

Een trompetter die alarm blies, werd door de vijand gevangengenomen. Hij schreeuwde: “Mannen, dood mij niet, want dat verdien ik allerminst. Ik heb niemand van jullie gedood en mijn instrument is mijn enige wapen.” Zij reageerden naar hem: “Een reden te meer om te sterven, want jij, die zelf niet kan vechten, maakt alle anderen strijdlustig.”

Moraal

Degenen die alarm slaan of waarschuwen voor kwade zaken kunnen de ‘heren’ machthebbers zodanig irriteren dat zij de ‘waakhonden’ een kopje kleiner of monddood willen maken. Een enkele vonk kan een grote brand geven. Eén enkel woord of geschrift kan de geestdrift doen ontstaan die tot een ‘revolutie’ kan leiden. Zo kan een roepende in de woestijn de aanleiding zijn tot een tsunami van protesten. Eén pen kan een gruwelijk wapen zijn.

Het spreekwoordenboek van Harrebomée bevat in deze ook een wijsheid: “Het is geen wijsheid, tegen de heeren te schrijven, Die u uit uw land en goed kunnen verdrijven.”

Ik ben het in deze niet eens met Harrebomée. Ik hou wel van de Leijtensens, Omtzigten en Loddersens die zitten in de Haagse politieke leeuwenkuil, vol met addergebroed, schorpioenen en figuren die ik, als het donker is, niet wil tegenkomen. In die kuil vol duisternis en hellevlees zijn zij de lichtpuntjes.

 

Louis van der Kallen.


DE ROOS EN DE VLINDER

 

    


| 25-03-2021 |

 

Aesopus, vaak ook Aisopus genoemd was een Griekse dichter (ca. 620-560 v.Chr.) die bekendheid verwierf door zijn fabels (verhalen) waarin dieren zich gedragen als mensen (personificatie). Het gaat daarbij vooral om de moraal van het verhaal.

De roos en de vlinder

Een vlinder werd eens verliefd op een mooie roos. Dat liet de roos niet onverschillig, want de vleugels van de vlinder waren prachtig gekleurd met goud en zilver. En toen hij dus dicht bij haar fladderde en haar vertelde hoeveel hij van haar hield, bloosde ze rozig en zei ‘ja’. Na veel hofmakerij en veel gefluisterde woordjes over eeuwige trouw nam de vlinder teder afscheid van zijn beminde. Maar helaas! Het duurde zeer lang voor hij terug bij haar kwam. “Is dit nu je eeuwige trouw?”, riep de roos wenend uit. “Het is eeuwen geleden sinds je weg ging, en je hebt met alle soorten bloemen gevrijd. Ik heb gezien hoe je de geranium hebt gekust en hoe je rond de klaproos fladderde tot een honingbij je wegjaagde. Ik wou dat de bij je geprikt had.” “Eeuwige trouw!”, lachte de vlinder. “Ik was nog maar net weg toen ik zag hoe de wind je kuste. Je hebt je schandelijk gedragen met een hommel en je lonkte naar elk insect dat in je buurt kwam. Dan kun je van mij ook geen eeuwige trouw verwachten.”

Moraal

Verwacht geen trouw van anderen indien je zelf niet trouw bent. Eén Harrebomée wijsheid in dit kader: “Het is voorwaar een groote pijn, Te minnen en niet bemind te zijn.” In het Harrebomée spreekwoordenboek is ook dit toepasselijke gedicht te vinden:

“Trouwen in ’t hooi, Is wonder mooi, Maar in de kerk, Is ’t eeuwig werk.”

Zo is het ook in de politiek. Verwacht daar zeker geen eeuwige trouw. Zelfs niet van (CDA) partijgenoten. Alleen is de ontrouw nog harder van karakter. Een citaat van SP-Kamerlid Renske Leijten in de Volkskrant van 24 april 2021 onderschrijft dat helder; “Het Binnenhof is een onveilige omgeving. Iedereen met wie je iets opbouwt, staat klaar om met je af te rekenen.” Weer een fabel die oproept goed te weten met wie je zaken doet als je gaat regeren.

 

Louis van der Kallen.



HET HERT, HET SCHAAP EN DE WOLF

 

    


| 24-03-2021 |

 

Aesopus, vaak ook Aisopus genoemd was een Griekse dichter (ca. 620-560 v.Chr.) die bekendheid verwierf door zijn fabels (verhalen) waarin dieren zich gedragen als mensen (personificatie). Het gaat daarbij vooral om de moraal van het verhaal.

Het hert, het schaap en de wolf

Op een dag kwam een hert bij een schaap en vroeg hem om wat tarwe. Het schaap kende hem, wist dat hij zeer vlug kon lopen en gemakkelijk voor zichzelf kon zorgen indien hij dat wilde. Daarom vroeg hij of het hert iemand kende die voor hem borg wilde staan, zodat hij de tarwe zeker terug zou krijgen. “Jazeker,” antwoordde het hert vol vertrouwen, “de wolf heeft mij beloofd dat hij voor mij borg zal staan.” “De wolf!” riep het schaap verontwaardigd uit. “Denk je dat ik je ga vertrouwen nu ik hoor dat de wolf je vriend is? Ik ken de wolf! Hij neemt wat hij wil en loopt weg zonder betalen. En wat jou betreft, jij kunt zo snel lopen dat ik weinig kans zou hebben om mijn graan terug te krijgen indien ik je daarvoor zou moeten vangen!”

Moraal

Ken je pappenheimers! Bij deze fabel passen een drietal Harrebomée wijsheden: ”Wij moeten malkander geene schapenkeuteltjes voor lange rozijnen in de hand stoppen” (wees eerlijk) en “Als gij bij blaarkoe aan den paal gebonden staat, moet gij in haare lof of blaam deelen” (besef in wiens gezelschap je verkeert) en “Betrouw de liên, maar weet wel wiên” (weet wie je kan vertrouwen).

Ken je pappenheimers, geldt zeker ook als je moet onderhandelen over de samenstelling en het programma voor een nieuwe regering. Eén pappenheimer kent men ondertussen. Het blijke een EIGENheimer van de eerste orde!

 

Louis van der Kallen.