DE EED 2

 

    


| 28-04-2022 |

 

Naar aanleiding van de ‘heibel’ over de eedaflegging in Bergen op Zoom schreef ik een artikeltje over de doelstelling van de eed en op wat voor de eedaflegger het meest heilig is.

Ik heb in mijn leven heel wat keren de eed afgelegd bij de aanvaarding van menig ambt. Ik denk, mijn CV bekijkende, misschien wel meer dan 40 keer. Terugkijkend concludeer ik dat het veelal routineus gebeurde. De eerste keer is het spannend en ook de keer bij de rechtbank (ambtenaar van de burgerlijke stand (trouwambtenaar) was het spannend. Daarna was het iets dat erbij hoorde. Zo begon een nieuwe periode als raadslid, statenlid of waterschapbestuurder en soms als lid van een gemeentelijke rekenkamer of rekenkamercommissie.

De eed en de eedaflegging is sinds 1798 opgenomen in de Grondwet en was vanaf het begin gericht op de uitvoerders van de besluiten van de Kroon. Trouw aan de Kroon en de wetten des lands. Eerst gericht op de Agenten (Ministers) van de Kroon. Vanaf dat moment begon de opname van de eed in tal van wetten en reglementen. Steeds meer ambtsdragers en ambtenaren kregen, met het aanvaarden van hun functie, met de eedaflegging te maken. Bij de start was de doelstelling vooral het borgen van trouw aan de Kroon. Nu is de achterliggende hoofdgedachte dat de eedaflegger hiermee uitspreekt zich bewust te zijn van zijn of haar bijzondere positie in de samenleving. Hoewel de oorspronkelijke motieven ‘trouw te zijn aan de Kroon’ nog steeds een belangrijk element is waar bij de ‘Kroon’ (het hogere gezag) is omgevormd tot getrouw te zijn aan de Grondwet en de wetten des lands.

De eed, bij de aanvaarding van het raadslidmaatschap, is wettelijk verwoord in artikel 14 van de Gemeentewet. De eerste twee elementen:

  • “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de raad benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.”

  • “Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.”

Zijn zuiverende elementen, in simpele taal; ik heb niks verkeerds gedaan om verkozen te worden en ik zal niks verkeerds gaan doen in deze functie. Ik denk dat ieder raadslid snapt wat hij of zij zweert of verklaard en beloofd!

Bij het derde element;

  • “Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de raad naar eer en geweten zal vervullen.”

Al heb ik niet het idee dat het eerste deel van de zin op het feitelijk functioneren van raadsleden ook maar enige invloed heeft. Bij het tweede deel van de zin zullen de meeste raadsleden vol goede moed en inzet zijn om hun plichten naar eer en geweten te vervullen.

De oorspronkelijke bedoeling van dit derde element van de eed is om de nieuwe raadsleden te doen beseffen dat zij uitvoerders zijn van wat er aan wetten door de Kroon en haar medewetgevers in Den Haag en elders wordt gemaakt. Ook geratificeerde verdragen hebben kracht van wet. In toenemende mate heb ik gezien, in de 36 jaar dat ik raadslid mag zijn, dat raadsleden geen boodschap meer hebben aan wet en regelgeving. Als ze het met de inhoud van een wet, regeling of de afspraken in een verdrag niet eens zijn dan is men in toenemende mate geneigd uitvoering te traineren of wegen te zoeken die te blokkeren. Of het nu de huisvesting van statushouders betreft, milieuregelingen of een bio-centrale men probeert parlementje te spelen, onder het motto: ‘wij zijn het hoogste orgaan’, niet beseffend dat het slechts van een lagere overheid, de gemeente is. Ook is er een gebrekkig besef van de betekenis van de ambtstitel wethouder.

Wij hebben, in tegenstelling tot het grootste deel van de wereld een door de Kroon benoemde burgemeester. En die is net als de Commissaris van de Koning formeel geen dienaar van de Raad maar van de Kroon, een ‘zetbaas’ van de Kroon. Waarbij de Kroon in feite de minister van binnenlandse zaken is en die zetbaas wordt geacht erop toe te zien of wij (de raad) ons wel aan de regels houden. Ook de burgemeesters in dit land hebben allang hun rol geminimaliseerd. Het voordragen voor vernietiging van raadsbesluiten door deze ‘zetbazen’ lijkt uit hun taakbeschrijving te zijn verdwenen. Met als gevolg dat de dames en heren raadsleden werkelijk zijn gaan denken dat zij het hoogste orgaan zijn en vrijwel onbeperkt hun gang kunnen gaan in het blokkeren of tegenwerken van de uitvoering van wetten en verdragen. Getrouw zijn aan heeft dan feitelijk aan betekenis verloren.

Een gemeenteraad is slechts heel beperkt beleidmaker. Bijna al onze wettelijke taken zijn uitvoerend. Het beleid dat er aan vooraf gaat wordt elders geformuleerd. In Den Haag, Brussel of in Den Bosch.

Ik wijt het afkalven van het vertrouwen in ‘de politiek’ deels aan de verwording van het politieksysteem. Zelfs als er beloofd wordt, getrouw te zijn aan de Grondwet en de wetten des lands, is er niemand, zelfs de ‘zetbaas’ van de Kroon niet, die hen terechtwijst. En die enkele dwaas (ik) in de raad die daar op wijst, ‘ach die stamt uit een ander tijdperk, waarom zouden we daar naar luisteren, wij zijn het hoogste orgaan!’ Dat zegt zelfs de ‘zetbaas’, de burgemeester!

De eed of de belofte is slechts een artikel in de gemeentewet. Een formaliteit, een relict uit vroeger jaren, een raar symbool. We doen het wel, want anders zijn we nog geen raadslid, schijnen de meesten te denken.

 

Louis van der Kallen.



Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.