HET RECHT EN MORALITEIT

 

    


| 11-10-2021 |

 

Het debat over het dossier “Bestemming Rijkscompensatiemiddelen Cultuur Corona” draaide in mijn beleving om ‘recht’ versus ‘moraliteit’. Beide begrippen vormen ons rechtsgevoel. ‘Recht’ heeft zich sinds de oudste tijden tot de Bataafse revolutie gevormd binnen relatief kleine gemeenschappen, waar vertrouwen de basis was van het samenleven. Na de vorming van de Nederlandse eenheidsstaat heeft in onze landen codificatie meer gestructureerd plaats gevonden.

In de geschiedenis van de vorming van het (oud) – Nederlandse recht is een aantal periodes te onderscheiden:

  • De oud-Germaanse tijd (tot de vijfde eeuw);

  • het Frankische tijdperk (tot de tiende eeuw);

  • het Landsheerlijke tijdperk (tot de zestiende eeuw);

  • het tijdperk der republiek (tot 1795);

  • de ontwikkeling van de eenheidsstaat.

Het Germaanse recht was een stamrecht. Er was niet echt sprake van een staat omdat een helder omschreven grondgebied ontbrak. Slechts via Romeinse bronnen is er enig inzicht in de rechtsvorming van de Friezen, de Cananefaten, de Bataven (Chatten), de Chamaven, en in wat nu Noord-Brabant is de Keltische Menapiërs en de Taxandriërs. Het stamrecht was geldend voor de leden van de stam. Rechtspraak vormde het recht. Dat kwam tot stand via een vonnis (het gevondene) of wijsdom. De taak van een rechter was het leiden van de zitting en het fungeren als “rechtsvorderaar”. De oordeelvinders stelden een vonnis voor. Werd het vonnis door de omstanders goedgekeurd, dan gaf de rechter(s) het rechtsgebod. Daar in die tijd de omstand, het volk, vaststelde wat recht was, gold in feite een volksrecht.

Deze vorm van rechtsvorming vinden we grotendeels terug in het Frankische tijdperk waarin het zich verder ontwikkelde naar meer gespecialiseerde vormen in de middeleeuwse rechtsorganisaties. De Franken kenden, naar de huidige opvattingen, een staatsvorm met gespecialiseerde ambtenaren, belastingen en een legerorganisatie gebaseerd op vazalliteit en beneficium.

De rechtspraak was gebaseerd op gewoonterecht en op het rechtsbewustzijn, en was derhalve niet afhankelijk van wettenrecht. De rechtspraak geschiedde niet door ambtenaren maar door de volksgenoten zelf; het recht bleef dus volksrecht. Ook in deze tijd leidde de rechter (rechtmaner) de zitting en vroeg hij aan de vrije mannen een vonnis voor te stellen, tenzij hiervoor een vaste oordeelvinder was aangesteld (soms was er een college van oordeelvinders). Onder Karel de Grote ontstonden ook vaste rachimburgi die de naam van scabini (schepenen) kregen. Dit waren geen ambtenaren maar volksvertegenwoordigers. Bij deze rechtspraak was er geen omstand! De schepenen werden dus vóórstellers en váststellers van het vonnis! In deze periode vindt ook de samenstelling plaats van een vorm van codificatie middels een ‘lex’, inhoudende bundelingen van wijsdommen en dat was dus een vorm van autonoom ontstaan recht, dus zonder ingrijpen van de vorst of landheer. In den Nederlanden vonden we op die basis de Lex Salica, Frisionum, Saxonum en Chamavorum. De rechtsverscheidenheid was groot. Kenmerkend in de volksrechtspraak was de redelijkheid, billijkheid en het algemeen rechtsbewustzijn bij de afwegingen van de omstand.

In de Landsheerlijke periode ontstaan rechtskringen. De graaf, de leenman kreeg steeds vaker immuniteitsrechten (recht tot rechtspraak) die steeds vaker werden overgedragen aan personen die het rechterambt in eigendom of pand verkregen of in dienst traden bij de leenheer als ambtenaar (baljuw, ruwaard of schout), waarbij de schout soms zelf een soort van leenheer werd in de vorm van ambachtsheerlijkheden. Ook de waterschappen waren in feite een rechtskring met autonome bevoegdheden tot rechtspraak binnen de belangen van het waterschap. Ook steden vormden een belangrijke groep van immuniteiten of vrijheden. Zo hoefden poorters alleen terecht te staan voor stadsrechters, tenzij bij hoge jurisdictie, indien de stad deze niet had. In geval van Baljuwschappen bleef het recht feitelijk in handen van de graaf. Langzaam ontstaan de ‘Staten’ waarin in samenwerking met de ‘heer’ een vertegenwoordiging der onderdanen aan belang wint met deels rechterlijke bevoegdheden soms in de vorm van een landdag.

In de Landsheerlijke periode is er nog geen differentiatie van de takken der staatsorganisatie. Rechtspraak, wetgeving en bestuur werden in het algemeen uitgeoefend door de zelfde personen of colleges. De landheer bleef zelf rechter , tenzij hij zijn rechtsmacht, zijn heerlijkheid, aan een ander had afgestaan. De hogere rechtsmacht werd uitgeoefend door een baljuw, drost, ambtman, ruwaard of maarschalk, hetzij als ambtenaar van de ‘heer’, hetzij uit eigen rechtsmacht verkregen uit een lagere heerlijkheid of uit pacht van het recht. In lagere rechtskringen fungeerde op dezelfde wijze de schout of grietman.

Codificering krijgt in deze periode steeds meer vorm middels tal van keuren, “statuta”, plakkaten, privileges en handvesten terwijl ook het gewoonterecht gebruikt blijft worden. Het vaststellen van deze wetgeving geschiedde, evenals de rechtspraak, door de samenwerking van rechter (landsheer of ambtenaar) met een gerecht (volksvertegenwoordiging), echter met dit verschil, dat de inhoud van een vonnis door het gerecht werd voorgesteld en door den rechter gesanctioneerd werd. De rechter werkte toen in de regel mee aan het vaststellen van de inhoud van bijvoorbeeld de keur.

In het tijdperk van de republiek was er meer eenheid in het recht en in de rechtspraak in de zeven provincies dan in de Generaliteitslanden (Staats-Vlaanderen en Staats-Brabant). De provincies waren soevereine staatjes terwijl de Generaliteitslanden bestuurd werden door Gecommitteerde Raden of Gedeputeerde Staten. Dat waren vaste commissies van de Staten Generaal. Die hadden minder de neiging om recht en rechtspraak en regelingen te harmoniseren. In de provincies nam de betekenis van de provincie als rechtskring (sterk) toe. De geestelijke gerechten vervielen en elementen van het Romeinse recht werden meer en meer opgenomen in het proces van rechtsvorming. In de provincies ontstond ook meer eenheid door de Hoven. Feitelijk was er in deze periode slechts één boek de inspiratiebron van de ontwikkeling van het Nederlands recht: “Inleidinghe tot de Hollandse Rechts-gheleertheydt” van Hugo de Groot.

Met de Bataafse omwenteling veranderde onze rechtssystemen in hoog tempo. De Amerikaanse Declarations, de Franse revolutie en de Napoleontische wetgeving werden de leidraad waaruit onze wetgeving en rechtspraak zich ontwikkelde dit met behulp van de leer der volkssoevereiniteit en het maatschappelijk verdrag. Dit was de bijl aan de voet van het gewoonterecht.

Onze wetsgeschiedenis en moraal-ontwikkeling gingen hand in hand. De moraal en moraliteit kwamen steeds verder tot ontwikkeling. Ik heb de afgelopen jaren met regelmaat geschreven over de moraal, moraliteit, moreel leiderschap en het geweten. Ik besef dat de betekenis van het geweten met betrekking tot de kennis van goed en kwaad relatief jong is en vermoedelijk pas ontstaan in de zeventiende eeuw.

Van politici en bestuurders verwacht ik een hoge graad van moraliteit. Dit blijkt vaak helaas niet het geval. Ik schreef eerder vaker over liegende en ‘dromende’ politici. De afgelopen weken hebben we gezien dat een minister afscheid nam van haar ambt en ging werken voor een lobbyorganisatie op haar werkterrein. Haar verdediging: ik overtreed geen regels! We hebben een minister van financiën met de boodschap “we gaan belastingontduiking en vermijding bestrijden” die zelf de belastingen heeft vermeden. Zijn zeer christelijke verdediging: er zijn geen regels overtreden! Een ‘slimme’ meneer die zegt “het niet geweten te hebben”. Hij heeft in mijn ogen geen ‘geweten’. Een college van B&W dat roept: we hebben juristen en de accountant geraadpleegd en er waren geen wettelijke belemmeringen! Waar is de moraal?

De kiezer is niet de remmende factor meer, want de kiezer laat zich, overdonderd door alle PR en spin, al jaren in het ootje nemen. Vijf verkiezingsprogramma’s (twintig jaar) belooft een partij in Bergen op Zoom iets. De partij zit twintig jaar in het college en levert, glimlachend, de verkiezingsbelofte keer op keer in om toch maar een wethouder te kunnen leveren. De kiezer de rekent ze echt niet af. Bij waterschapsverkiezingen zijn er partijen die verkiezing na verkiezing verlaging van de belastingtarieven beloven, terwijl ze heel goed weten dat de afgelopen tien jaar de tarieven steeds met procenten meer dan de inflatie zijn gestegen en dat de komende tien jaar de tarieven vermoedelijk weer jaar na jaar met ruim meer dan de inflatie zullen moeten stijgen. De kiezer is keer op keer goedgelovig en stemt op het ‘positieve verhaal’. En veel politici hebben niet de moraliteit om het eerlijke verhaal te willen vertellen. Dat eerlijke verhaal loont niet. Sterker nog, je verlies er verkiezingen mee!

Ik besef dat geen mens zonder zonden is. Ik ben ook niet perfect. Ook ik heb soms moeite te leven naar wat ik preek. Mijn autistische trekjes zitten soms in de weg. Ik ben in leven en gedrag een luddiet. Ik ben geen fan van veranderingen. In het openbaar bestuur hecht ik grote waarde aan moreel leiderschap en verlang dit ook van de bestuurders waarmee ik samenwerk. Dat is de reden dat ik afscheid genomen heb van het huidige college van B&W van Bergen op Zoom. Het vertrouwen is met de gebeurtenissen rond het dossier “Bestemming Rijkscompensatiemiddelen Cultuur Corona” onherstelbaar geschaad.

 

Louis van der Kallen.

 


Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Eén reactie

  1. Mooie column Louis! Leuk dat je in de geschiedenis van de juridische instellingen bent gedoken. Overigens heeft juist wettenrecht een scheiding tussen recht (als wet) en moraal teweeg gebracht. Dat heeft o.a. tot nefaste rechtspraak in oorlogstijd geleid. Het geloof in systematisch geordende wetten hangt samen met de poging om van de rechtswetenschap een exacte wetenschap te maken waarbij geen ruimte meer is voor de rechterlijke kunst van het oordelen. Ook het bestuur verzakelijkte steeds meer o.i.v. inzichten uit economische en andere wetenschappen. Effectiviteit voorop!!
    Ook Rousseau wilde de rechter het liefste afschaffen. Overigens in de context van die tijd wel weer begrijpelijk.
    De handelwijze van het college lijkt weinig te maken te hebben met wetenschap noch kunst van het oordelen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.